Amos

Amos' roeping

- schapenfokker en kweker van moerbeivijgen

Amos leeft ten tijde van koning Jerobeam II (Israël) en van koning Uzzia (Juda). Beide delen van het land Israël maken een periode van economische bloei en welvaart door.
Amos is een schapenfokker uit Tekoa 1) , een plaats ten zuiden van Bethlehem in Juda. Daarnaast is hij kweker van moerbeivijgen. 2)  Hij is dus iemand die dagelijks werkt in de natuur, en dat is goed te merken in zijn profetieën. Hij onderbouwt zijn woorden met voorbeelden uit het dagelijks leven, zoals de opbrengst van het land, het gedrag van dieren en de gevolgen van een aardbeving.
Het is hem ook niet ontgaan hoe mensen zich gedragen ten opzichte van elkaar. Hij legt de vinger op gevoelige plekken. Zo wijst hij op de uitbuiting van de armen door de rijken, en op het gemis aan rechtvaardigheid.

- ziener

De woorden van Amos zijn veroordelend. Ze bereiken in het laatste hoofdstuk een absoluut dieptepunt: er is geen redding meer mogelijk.
In het enige historische stukje van dit boek wil Amasia, de priester van Bethel, hem dan ook wegjagen met de woorden "Ziener, ga heen!". 3)
Het woord "ziener" is in de mond van Amasia een scheldwoord, maar in de aanhef van dit boek blijkt dat Amasia (wellicht onbewust) wél gelijk had. Amos heeft Gods woorden namelijk niet alleen gehoord maar ook geschouwd. Dat wil zeggen dat hij voor ogen ziet wat hij moet doorgeven. Daarbij weet hij de profetieën die hij voor ogen krijgt heel beeldend onder woorden te brengen. Dat maakt zijn boek tot een boeiend betoog.

- geen profeet

Amasia wil hem terugsturen naar Juda om daar te gaan profeteren "voor brood". Amos verklaart dat hij geen profeet is, en zelfs geen enkel raakvlak heeft met welk profetengeslacht of welke profetenschool dan ook. 4)
Hij doet dit niet om er geld mee te verdienen. Nee, zijn bron van inkomsten ligt in het boerenbedrijf, maar "de Heer nam mij weg achter de schapen". 5)
Dat is een krachtige en duidelijke roeping, zoals eens God David riep tot een grote taak. 6)

- ga naar Mijn volk

Amos betekent "lastdrager", dus iemand die de last kán dragen.
God roept Amos om een pittige boodschap uit te spreken, maar degenen voor wie die woorden bestemd zijn noemt God nog steeds "Mijn volk". 7)
Zijn liefde is sinds het begin 8)  onveranderd. Dat is ontroerend mooi, gezien hun wangedrag tijdens de reis door de woestijn en daarna in het beloofde land ten tijde van richters en koningen.
Die onvoorwaardelijke liefde is de ondertoon in het hele boek, hoe de woorden van Amos ook mogen klinken.

Alleen al deze inleidende punten maken duidelijk dat dit boek belangrijke lessen bevat voor christenen van vandaag. In de woorden van Amos houdt God ons een spiegel voor over ons geloofsleven. Zij gaan over onze verhoudingen onder elkaar en over onze samenkomsten.
Uiteraard bevat dit boek profetieën die een voorvervulling hebben gekregen in de ballingschap, maar die hun definitieve vervulling gaan krijgen ten tijde van Gods grote eindoordelen op aarde en het Messiaanse vrederijk erna.

De Here brult uit Sion

- Bethel is plaats van prediking

Amos gaat op weg vanuit Tekoa naar Bethel, een plaats in het tienstammenrijk Israël.
Hij begint met de woorden: "De Here brult uit Sion". 9)
Zijn luisteraars beseffen (opnieuw) dat er voor God maar één plaats is "waar Hij Zijn Naam laat wonen". 10)  Dat is Jeruzalem, en dat ligt nog altijd in het tweestammenrijk.

Het brullen wijst op een leeuw die een prooi heeft. 11)  De prooi is hopeloos verloren, en de leeuw laat dat luid en duidelijk weten! Zo spreekt God, en achtereenvolgens komen diverse slachtoffers aan bod, voor wie geen redding meer mogelijk is. Bij ieder ziet God "drie overtredingen, ja vier", een dichterlijke manier om te zeggen dat het maximale aantal overtredingen is bereikt.
Allereerst veroordeelt God de vijanden van Zijn volk, 12) die rondom Zijn volk wonen, en van wie Israël lange tijd veel te lijden heeft:

  • Damascus, vanwege wreedheid
  • Gaza, vanwege slavenhandel
  • Tyrus, vanwege slavenhandel
  • Edom, vanwege broederhaat
  • Ammon, vanwege wreedheid
  • Moab, vanwege grafschennis

Tot zover zullen de mensen met instemming hebben geluisterd naar Amos. Zij zullen elkaar waarschijnlijk tevreden hebben aangekeken omdat God nu eindelijk definitief gaat afrekenen met hun vijanden.
Maar Amos gaat gewoon verder. 13)

- Juda, vanwege afgoderij

Juda komt aan de beurt vanwege afgoderij, en ook dat kunnen de mensen goed begrijpen. Afgodendienst hoort ook niet in de tempel van God.
Tot zover gaat het nog over andere mensen. Maar opnieuw gaat Amos gewoon door. 14)

- Israël, vanwege onrecht en imitatiegodsdienst

Nu wordt het anders! Nu komen zij, de inwoners van het tienstammenrijk aan de beurt. Waarschijnlijk komen de woorden van Amos nu minder prettig over.
Ook in Israël is het maximum aan zonden bereikt. Groot is het onrecht waarmee de arme wordt verdrukt 15) en groot is het morele kwaad. 16)
En dat terwijl de godsdienst in Bethel gewoon doorgaat. Die godsdienstige schijnheiligheid is afschuwelijk in Gods oog.

Dat is de kern van dit boek. Daarom richt God Zich in de rest van dit boek uitsluitend tot Zijn volk; meestal tot het tienstammenrijk, soms tot Juda en soms tot het hele volk.

Bethel

- de geschiedenis van Bethel

Bethel kent een roemrijke en roemruchte geschiedenis.
Abraham heeft er in de buurt gewoond en heeft daar voor de tweede keer een altaar gebouwd. 17)
Wanneer Jakob op de vlucht is voor Ezau valt hij daar in slaap. Hij ziet in zijn droom een ladder waarvan de top de hemel raakt en waarlangs engelen opstijgen en neerdalen. Hij roept uit: "Dit is niets anders dan het huis van God" en hij noemt die plaats Bethel (= "huis van God"). 18)

Na de spitsing van Israël in het twee- en tienstammenrijk wordt het anders. Jerobeam ziet met lede ogen dat zijn onderdanen minstens driemaal per jaar naar Jeruzalem zullen gaan om de Here te offeren.
Hij bedenkt een alternatief.
In Dan (in het noorden) en in Bethel (in het zuiden) plaatst hij een gouden kalf, en in Bethel een altaar. Bij de inwijding verklaart hij: "Dit zijn uw goden, o Israël, die u uit het land Egypte hebben geleid". 19)
Het is een imitatie van wat God eens aan Zijn volk gaf: het altaar staat op de verkeerde plaats, het feest wordt op het verkeerde moment gevierd en de priesters zijn geen zonen van Aäron.
Al onmiddellijk bij deze inwijding komt een profeet uit Juda om Gods oordeel erover uit spreken.

- de ontwikkeling van Bethel

De huidige koning Jerobeam II gaat verder in de voetstappen van zijn naamgenoot. Opnieuw komt er een profeet uit Juda, Amos.
Hij spreekt over "de altaren van Bethel". 20) De heilloze ontwikkeling is dus verder gegaan. Het altaar van Bethel heeft navolging gekregen in Gilgal en Berseba. Gilgal ligt in het grensgebied, nog net in het tienstammenrijk, maar Berseba ligt in het zuiden van Juda! Ook daar staat dus een altaar, zoals in Bethel.

In Bethel, Gilgal en Berseba worden samenkomsten gehouden rondom het altaar. Er worden offers gebracht, liederen gezongen, op harpen gespeeld en feesten gevierd, net zoals in de tempel in Jeruzalem.
Bij monde van Amos laat God weten dat Hij walgt van zulke vertoningen. 21)
Dit is pure imitatie!

- ons "huis van God"

De Heer Jezus legt een pasbekeerde vrouw in Sichar uit dat de Vader aanbidders zoekt, maar dat zij tot Hem moeten naderen "in geest en waarheid". 22) Dat betekent dat de Vader op een geestelijke en waarachtige wijze Zijn kinderen wil zien komen. Niet in de eerste plaats met wat zíj prettig vinden, maar met de vraag: zou onze Vader geen voorkeur hebben? Nou en of! Waarmee zou Hij ons anders willen zien komen, dan met iets wat we bij de Heer Jezus hebben gezien? Dát is de Persoon voor Wie Hij de hemel een paar keer opende om hardop te zeggen: "Deze is Mijn geliefde Zoon". 23) Zou er voor onze Vader iets mooier zijn dan dat Zijn kinderen komen met bewondering voor de Heer Jezus?

Het gesprek met deze vrouw gaat vooral over de persoonlijke aanbidding die elke gelovige 'gewoon' kan uiten waar hij zich ook bevindt.
Daarnaast is het van groot belang om samen te komen, juist met de bedoeling om de Vader en de Zoon te aanbidden, zoals dat bij uitstek plaats vindt aan de tafel van de Heer.
Stel nou dat Amos zou binnenkomen in zo'n samenkomst. Welke diagnose zou hij namens God doorgeven?
Zondag na zondag gaan hele gezelschappen naar huis nadat men op een prettige manier is beziggehouden. Er werd mooi gezongen, er was zelfs aanbiddingsleiding, de prediking was niet al te lang en ook niet al te confronterend, kortom: het voelde goed.
Maar zou er iemand zijn die zich afvraagt of God iets heeft ontvangen waar Hij blij van is geworden?

Twee jaar vóór de aardbeving

In de aanhef van het boek staat dat Amos profeteert "twee jaar vóór de aardbeving". Amos heeft deze aardbeving niet voorzegd, maar zijn optreden staat er mee in verband.
Dit is de grote aardbeving waarover Zacharia spreekt 24) en waarvoor de mensen massaal op de vlucht slaan. Hij vergelijkt dat met de massale vlucht die straks zal plaatsvinden bij de verschijning van Christus op de Olijfberg. 25)

- het effect van de woorden van Amos

God legt een verband tussen de woorden van Amos en de aardbeving twee jaar later.
Amos verwijst er ook een paar keer naar.
Dit welvarende land, dat elk jaar opnieuw een rijke oogst mag binnenhalen op afgeladen wagens die kraken onder het gewicht, zal dit kraken gaan horen "onder u". 26)
Ook veel huizen zullen bezwijken. 27)
De aarde zal in één keer worden opgetild zoals de waterstand van de Nijl gedurende een heel jaar variëert. 28)  Het waterniveau van deze rivier verschilt nogal in het voor- en najaar.

Amos' woorden hebben het effect van een aardbeving.
Gelukkig die mensen bij wie zijn woorden direct zó binnenkomen. Dat is geen prettige ervaring, maar zij zullen de Heer gaan zoeken en zich voor Hem neerbuigen. 29)  De anderen zullen zich die woorden ongetwijfeld herinneren op het moment dat de aardbeving plaatsvindt.

Gelukkig die christen die deze woorden herkent, en de Heer gaat zoeken.
Menigeen kan ervan getuigen dat er een 'geestelijke' aardbeving plaatsvond in het gezelschap gelovigen waarvan hij deel uitmaakt(e). Veel huisgezinnen zijn bezweken, met alle gevolgen vandien voor de kinderen.
Zou God niet gewaarschuwd hebben? Jazeker, want God doet zoiets nooit zonder waarschuwingen. Dat laat Amos in een paar voorbeelden zien.

De Here heeft gesproken - wie zou niet profeteren?

God neemt de Israëlieten in gedachten mee naar het moment dat Hij hen uit Egypte uitvoerde: "U alleen heb ik gekend". 30)
Dat wijst op een relatie die God toen met hen begonnen is. Dat deed God met geen enkel ander volk, alleen met hen.

Het bijzondere van die relatie blijkt uit een paar voorbeelden, 31)  die Amos heel goed kent vanuit de natuur. In elk voorbeeld zijn een oorzaak en een gevolg aan te wijzen; het ene (dat iedereen kan opmerken) kan alleen maar plaatsvinden nadat het andere (in het verborgene) eerder plaatsvond. We noemen een aantal voorbeelden:

  • "Gaan er twee samen, zonder dat zij het eens zijn geworden?"
    Eerst zijn twee mensen het eens geworden. Daar was verder niemand bij. Daarna ziet iedereen hen samen wandelen.
    Een ontroerend vraag waarmee God eigenlijk opnieuw teruggaat naar het begin van Zijn relatie met Zijn volk, alsof Hij hen vraagt: "wij waren het toch samen eens?" .. 32) 
  • "Brult een leeuw zonder dat hij een prooi heeft?"
    De prooi ziet niemand, maar aan het gebrul te horen moet er een prooi zijn.
    Aangezien de Here brult 33)  moet er een prooi zijn. Maar wie? Dat is iets om van te schrikken!
  • "Duikt een vogel in een strik als er geen lokaas ligt?"
    De enige methode om een vogel in het net te vangen is door er een lokaas neer te leggen.
    Vanuit de lucht is meer te zien dan menig mens zich bewust is. Zo ziet God in Bethel meer dan de godsdienstige Israëliet. Dat heeft gevolgen!
  • "Komt er een ramp in de stad zonder dat de Here die bewerkt?"
    Een ramp komt nooit onverwachts, althans wat de Heer betreft. Hij bewerkt die, zoals Hij eens Israël in tweeën opdeelt. Hij laat daarna aan Semaja weten: "deze zaak is bij Mij vandaan gekomen". 34)   Zo voorkomt Hij een burgeroorlog.

Na deze opsomming van logische voorbeelden volgt de "logica" van God:
"Hij doet geen ding, of Hij openbaart Zijn raad aan Zijn knechten, de profeten". 35)
De luisteraars van Amos hebben zijn woorden dus serieus te nemen, want zij bevatten plannen van God die onherroepelijk in gang gezet worden als men niet tot Hem terugkeert.
Hetzelfde geldt voor de gelovigen van vandaag. We hebben in Gods Woord "de hele raad van God". 36) Waarom is er dan zoveel imitatiegodsdienst? Omdat maar weinigen "beven voor Gods Woord". 37)

Gods opvoeding

- Jullie willen het toch zo graag?

God laat merken dat Hij wel degelijk ziet dat er zuurdeeg in lofoffers zit, terwijl Hij dat uitdrukkelijk verboden had. 38)  Maar Hij ziet ook dat het volk er niet alleen onverschillig onder is, maar dat zij dit zelfs graag zo doen! Want waarom zou je geen gewoon meel kunnen nemen?
Deze houding komt later ook naar boven in het tweestammenrijk, waar het volk de valse profeten heel graag hoort! 39)
Ook Paulus voorspelt precies zo'n houding aan het eind van de periode dat de gemeente op aarde is (onze tijd dus!), waarin men de sprekers uitzoekt die alleen het oor strelende woorden spreken. 40)
Men richt de dienst aan God in naar eigen smaak ...

- Ik echter ...

Tegenover zo'n ongeïnteresseerdheid van het volk staat de interesse van God. Hij probeert hen aan te spreken. Op vijf verschillende manieren raakt Hij hen.
Neem het eerste voorbeeld: "Ik heb u gegeven reinheid van tanden in al uw steden ...". 41)  Reinheid is in het algemeen een prima eigenschap, maar in dit geval blijven tanden schoon omdat er niets te eten is.
Het is een oordeel van God waardoor Hij wil spreken, ook vandaag. Hoe vaak is de prediking nauwelijks meer dan een waterig aftreksel en blijven gelovigen een gevoel van honger en dorst overhouden?
Maar elke keer spreekt God tevergeefs. Vijfmaal moet Hij vaststellen: "Toch hebt u zich niet bekeerd".

- Maak u gereed om uw God te ontmoeten, Israël! 42)

Deze tekst is een prima uitgangspunt in de evangelieprediking. Elk mens zal eenmaal voor God staan 43)  en het is nodig om nu de Heer Jezus als Heiland aan te nemen.
De evangelist mag dit zo toepassen en zich richten tot ongelovigen. Maar Amos richt zich tot "Mijn volk", dus tot mensen die God zeggen te kennen en te dienen, maar waarmee God absoluut geen gemeenschap kan hebben. Eerst moeten er een paar zaken grondig veranderen.
Het grote verlangen van God blijft om Zijn volk te ontmoeten en om contact met hen te hebben. Hij is er altijd klaar voor. Nu het volk nog.

Zoek Mij en leef

- relatie

Amos houdt drie toespraken. Elk begint met de woorden "Hoort dit woord". 44)
In de derde toespraak doet God een laatste appèl aan het hart van elke Israëliet om af te zien van Bethel, Gilgal en Berseba. Hij roept hen driemaal op om Hem te zoeken en te leven. 45)
Het ware leven zit 'm niet in een godsdienst die is ingericht volgens het verlanglijstje van mensen. Ook vandaag identificeren veel gelovigen zich met hun kerkelijke richting. Zij voelen zich "rooms-katholiek", "baptist", "gereformeerd vrijgemaakt", of wat dan ook.
Amos zou zeggen: "Wat doet dat er nou toe? Zoek de Here en leef!".
Een gelovige wordt niet gekenmerkt door denominatie maar door relatie, namelijk een relatie met de Vader en de Zoon. 46)

- in ballingschap

Eigenlijk is er niets nieuws onder de zon. Het volk heeft vanaf het begin zowel God als de afgoden gediend. Die afgoden werden "gedragen", 47)  evenals alle heilige voorwerpen en de tabernakel. 48)  Zo trokken zij door de woestijn en zo gingen zij het land binnen. Hun gedrag veranderde echter niet. Elia heeft het volk op de Karmel nog eens uitgedaagd met de woorden: "Hoelang hinkt u nog op twee gedachten?". 49) Ook dat hielp niet.
Nu maakt God een einde aan dit afschuwelijke gedrag. Het volk gaat in ballingschap.
Deze woorden van Amos worden door Stefanus aangehaald in zijn toespraak voor het Sanhedrin (de Raad). 50)  Het is opmerkelijk dat Stefanus deze woorden ziet als een vervolg op het gouden kalf, waarvan hij zegt dat "zij zich verheugden in het werk van hun handen". 51)
Daarmee legt hij een verband tussen het gouden kalf in de woestijn en het gouden kalf in Bethel. Ook al denkt het volk in Bethel dat zij in "het huis van God" zijn, voor God is het in beide gevallen "het werk van hun handen". Daarom walgt Hij van "het getier van uw liederen en het getokkel van uw harpen".
Hoeveel gouden kalveren staan er inmiddels op het christelijk erf?

Vijf visioenen

Daarna vertelt Amos dat de Heer hem vijf visioenen liet zien:

  1. De sprinkhanen 52)
    Dit wijs op de eerste inval van Assur onder Pul. 53)
    Pul keert pas terug "nadat er voor de koning gemaaid is", d.w.z. nadat koning Menachem elke Israëliet vijftig sikkels zilver als extra belasting liet betalen om Pul tevreden te stellen.
    Maar Amos voegt er in dit visioen aan toe dat hij voor hen gebeden heeft, waardoor "het de Here berouwt".
  2. Een verterend vuur 54)
    Assur komt voor de tweede keer, nu onder Tiglat-Pileser. 55)
    Deze inval heeft ook veel schade aangericht, maar opnieuw bidt Amos en "berouwt het de Here".
  3. Het paslood 56)
    Bij de derde inval van Assur onder Salmaneser 57)  is er geen redding meer mogelijk. Het paslood wordt gebruikt om een muur recht te bouwen, maar kan ook gebruikt worden om te laten zien hoe schots en scheef een muur is. Het volk wordt weggevoerd en hun scheefgegroeide hoogten en heiligdommen worden verwoest.
    God zegt: "Ik zal het voortaan niet meer sparen".
    Dit visioen is de aanleiding voor de uitroep van Amasia, de priester van Bethel: "het land zal al zijn woorden niet kunnen verdragen". 58)
  4. Een korf met rijpe vruchten 59)
    De tijd is rijp dat God een eind aan Israël gaat maken. Opnieuw zegt Hij: "Ik zal het voortaan niet meer sparen".
    Sterker nog: de Heer zal een honger in het land zenden om de woorden des Heren te horen. 60) Dat wijst op een opwekking waarin de Heer dat zoeken rijk gaat zegenen. Normaal gesproken wel, maar nu niet. De grote honger is een straf, want zij zullen Zijn woorden niet meer vinden.
  5. De verwoesting van Israël 61)
    In dit laatste en definitieve oordeel staat de Heer "bij het altaar".
    Dat is uiteraard niet het altaar in Bethel, maar in Jeruzalem. Hij maakt een eind aan alle gruwelijke imitatie die Hem eeuwenlang zo gekweld heeft.
    Hij besluit met het noemen van Zijn Naam: Jehova. 62)
    Dat is de Naam waarmee Hij vanaf het begin 63) geprobeerd heeft om een relatie met mensen te hebben, maar niet ten koste van alles. Er zijn grenzen. De uiterste grens met Zijn volk is nu bereikt!

Israël - Egypte

Het is opmerkelijk hoe vaak Amos denkt aan Egypte 64)  en hoeveel uitdrukkingen hij gebruikt die ontleend zijn aan de verlossing uit Egypte:

  • "Ik zal niet sparen" 65)
  • "Ik zal door het land trekken" 66)
  • "de rouw over een eniggeborene" 67)
  • "bitter" 67)

Dit herkent elke Israëliet. Hij weet dat God destijds een verschil zag tussen Egypte en Zijn volk. Egypte kreeg te maken met Gods oordelen en werd gehuld in diepe duisternis.
Amos gebruikt dezelfde woorden, maar dit keer niet voor Egypte of welk ander volk dan ook, maar voor Israël. God kijkt nu naar Zijn volk zoals Hij destijds naar Egypte keek. Hij ziet geen verschil!

De vervallen hut van David wordt opgericht! 68)

Na zo'n uitvoerige beschrijving van Gods definitieve oordeel over Zijn volk is alle hoop vervlogen. Menselijkerwijs gesproken is het over en uit.
Maar daarmee is God niet uitgesproken. Wanneer alle rechten verspeeld zijn blijft genade over.
God vervolgt Zijn spreken met de woorden "Op die dag", 68)  een bekende uitdrukking die in het algemeen wijst op het toekomstige vrederijk. Dat doet Amos ook, maar in zijn betoog staat de Heer nog steeds bij het altaar. Wat een geweldig vergezicht!
Er is en blijft voor God maar één plaats waar Hij Zijn Naam doet wonen, waar het altaar centraal staat en waar de offers worden gebracht die voor Hem een welriekende reuk geven.
Op grond daarvan kan Gods genade stromen.

Dit is het tweede woord van Amos dat in het Nieuwe Testament wordt geciteerd, namelijk door Jakobus tijdens de apostelvergadering in Jeruzalem. 69)  Maar Jakobus maakt enkele opmerkelijke aanpassingen:

  1. hij verandert de woorden "op die dag" in "daarna zal Ik terugkeren".
    Amos wijst naar het toekomstige vrederijk, maar hij kon niet vermoeden dat Christus eerst moest sterven en weer opstaan. Jakobus weet dat wel, en wijst nadrukkelijk op de komst van de Heer.
  2. hij citeert Amos 9 : 12 volgens de septuaginta (=de Griekse vertaling van het O.T.) en zegt: "opdat de mensen die overgebleven zijn de Here zoeken".

Verhoudingsgewijs geeft Amos veel meer aandacht aan Gods oordelen dan aan Gods uiteindelijke genade. Maar het zijn wel drie magnifieke punten waarop hij tenslotte onze aandacht wil richten:

  • de komst van de Heer
  • het herstel van de Davidsregering
  • bekering van de volken

"De vervallen hut van David" wijst op alles wat God aan koningschap en priesterschap aan Zijn volk heeft gegeven, en wat zij hebben verdorven.
In Zijn grote genade houdt God vast aan Zijn beloften en zal ze vervullen in Christus:

"Ja, Híj zal de tempel van de HEERE bouwen,
Híj zal met majesteit bekleed zijn,
Hij zal zitten en heersen op Zijn troon.
Hij zal Priester zijn op Zijn troon;
tussen die Beiden zal vredesberaad plaatsvinden. 70)


 

Dit is een uitwerking van lezingen over Amos in Assen (18 oktober 2014) en in Warffum (25 oktober 2014)