Zefanja 1

Zefanja 1 : 1   inleiding

De naam Zefanja betekent 'de Heer bewaart', waarbij bewaren inhoudt dat het om iets waardevols gaat, dus: bewaren als schat.
Hij stamt af van ene Hizkia, maar het is onzeker of dit de bekende koning 1) betreft. In dat geval zouden Zefanja en koning Josia familie van elkaar zijn.

koning Josia

Zefanja profeteert tijdens het koningschap van Josia, een wel heel bijzondere koning die in een aantal opzichten uniek is.

a) de profetie over Josia

Er zijn nogal wat personen die vooraf worden aangekondigd, zoals Izak 2), Samuël 3) en natuurlijk ook de Heer Jezus. In een enkel geval wordt hun naam vooraf vermeld, zoals die van koning Kores. 4)
Dat laatste geldt ook voor koning Josia. Zijn naam wordt voor het eerst genoemd door de profeet die Jerobeam bestraft vanwege het altaar dat hij in Bethel heeft opgericht, als alternatief voor het altaar des Heren in Jeruzalem.
De profeet voorspelt dat koning Josia op dit altaar in Bethel eens mensenbeenderen zal verbranden. 5)  Die profetie gaat zo'n 300 jaar later in vervulling wanneer Josia het hele land reinigt van de afgoden.
Dat is opmerkelijk!
Hij is koning van Juda, het tweestammenrijk. De tien stammen zijn ongeveer 80 jaar eerder weggevoerd en hun hele gebied ligt braak (er wonen hooguit enkele Samaritanen. 6))  Toch reinigt Josia ook hun gebied.
Zo komt hij in Bethel en gaat de profetie in vervulling. 7).

b) Josia's pascha

De reiniging van het hele land houdt in dat ook de tempel gereinigd moet worden. Tijdens die reiniging wordt het wetboek gevonden en bijde koning gebracht. Hij leest daarin over Gods oordelen die over het volk moeten komen vanwege hun afwijkingen. Josia verootmoedigt zich voor de Heer, zodat de profetes Hulda hem mag vertellen dat die oordelen niet tijdens zijn leven zullen worden uitgevoerd. 8)
In aanwezigheid van het volk sluit Josia dan een verbond met de Heer, en geeft opdracht om het pascha te vieren. Het pascha onder koning Hizkia was al indrukwekkend, want sinds de dagen van Salomo was zo'n pascha niet meer gevierd. 9)
Maar het pascha van Josia overtreft dit! 10)

c) Josia's eenzaamheid

Ondanks al deze indrukwekkende daden, stelt God vast dat dit tweestammenrijk Juda zich helemaal niet anders gedraagt dan de inmiddels weggevoerde tien stammen. Hun bekering onder koning Josia is alleen maar uiterlijke schijn. 11)
Een schokkende vaststelling, zowel over de hopeloosheid van het volk als ook over de eenzaamheid van Josia en een enkele getrouwe als Zefanja.

Zefanja, Jeremia en (waarschijnljik) Habakuk profeteren tijdens de regering van koning Josia. Het is niet bekend of zij elkaar kennen, maar dat is voor een profeet ook niet van belang. Hij geeft Gods boodschap door.

de dag des Heren

De boodschap van Zefanja begint met de naderende dag des Heren, een onderwerp waarover ook andere profeten spreken.
Het gaat niet over een gewone dag van 24 uur, maar over de periode waarin God orde op zaken gaat stellen in de schepping.
Dat ingrijpen van God begint allereerst met het oordeel 12), gevolgd door de zegen van het Messiaanse vrederijk. 13)
De opname van de gemeente wordt pas in het Nieuwe Testament onthuld 14) en vindt plaats vóórdat de oordelen van de dag des Heren plaatsvinden. 15)

Wij zullen die "dag van benauwdheid" 16) dus niet meemaken, maar dat betekent niet dat wij er niets van zullen merken. In tegendeel, het oordeel begint bij het huis van God. Petrus neemt dat oordeel zó serieus dat hij stelt dat de rechtvaardige met moeite behouden wordt. 17)
Betekent dit dat een gelovige dan nog verloren kan gaan? Nee 18), maar wél dat God van elk van Zijn kinderen verwacht dat zij wandelen in het licht. Gebeurt dat niet, dan kan God dat niet door de vingers zien en grijpt Hij in. De profeten, en ook Zefanja, hebben tot taak om Gods volk terug te roepen tot God. Gebeurt dat niet, dan volgt onherroepelijk Gods oordeel.

Het oordeel dat ten tijde van Zefanja op het punt staat te komen, is de opkomst van de koning van Babel. Diens rijk gaat de wereld veroveren. Maar dat oordeel is veel minder dramatisch dan het zal zijn tijdens de dag des Heren, en bovendien is de beloofde zegen 19)  na het Babylonische rijk niet gekomen.
Dat betekent dat het oordeel via de koning van Babel slechts een vooruitwijzing is naar de dag des Heren, die ook op dit moment nog steeds toekomstig is.

Zefanja 1 : 2 - 6   oordeel over diverse groepen

- over elke levende ziel

Het is opmerkelijk dat Zefanja's boodschap allereerst elke levende ziel op aarde betreft, zowel mens als dier. 20)   Daarmee geeft hij aan dat de invloed van Israël op de wereld om hen heen te verwaarlozen was. Het volk van God is geen bron van zegen geweest. De goddelozen hebben God geërgerd met hun afgoden 21), afbeeldingen van mens of dier. Dat is waarschijnlijk de reden waarom Gods oordeel alles wil wegnemen dat aan deze afgodendienst heeft bijgedragen.

- over Juda en de inwoners van Jeruzalem

Daarna richt God Zich op Juda met als centrum Jeruzalem, waar de tempel staat. Dan blijkt niet alleen dat Israël verzuimd heeft om een zegen te zijn, maar dat zij omgekeerd de afgoden van de hen omringende volken heeft binnengehaald en is gaan dienen op deze plaats. 22)  God wilde Zijn Naam laten wonen op de plaats die Hij verkiezen zou (Jeruzalem) 23), en uitgerekend dáár wordt aan Baäl geofferd, en zweert men even makkelijk bij de Heer als bij Moloch.

Maar Gods oordeel treft ook degenen die weliswaar geen afgoden dienen, maar wél van Hem afgevallen zijn en Hem niet (meer) zoeken. Onverschilligheid is voor God ook een groot kwaad.

Dit portret van Gods volk is heel herkenbaar in de christenheid van vandaag. In plaats van een licht op de kandelaar of een stad op een berg 24), waar de hele wereld van had kunnen profiteren, heeft zij haar deuren opengezet voor alle mogelijke afgoderij als hebzucht 25)  en ander kwaad.

Zefanja 1 : 7 - 9   een offermaal, een afstraffing

De dag des Heren gaat gepaard met een offermaal, waarbij God een aantal mensen openlijk zal afstraffen:

  1. vorsten en koningszonen
    Josia zélf valt niet onder dit oordeel, maar wél al zijn nakomelingen. Zij horen voorbeelden te zijn.
  2. die uitheemse kleding dragen
    Veel leiders nemen de kleding over van andere volken en gaan zich ook zo gedragen.
  3. allen die over de drempel springen
    Deze lieden aarzelen niet om het huis van hun heer te vullen met geweld en bedrog. Zij zien geen enkele drempel of belemmering. Het is alsof het huis van hun heer hún huis is. Als zij zich zo gedragen in het huis van hun aardse heer, merkt God dat zij dat in Zijn huis ook doen. Daar worden zaken ingevoerd vanuit een zondige wereld. 26)

Deze kenmerken komen we volop tegen onder christenen. De leiders, die voorbeelden zouden moeten zijn 27), gedragen zich in de uitheemse kleding van managers. Alsof de gemeente van God een bedrijf is! Alsof daar geen drempels en dorpelwachters horen te zijn, die hebben op te letten wat er allemaal binnenkomt.
Velen lijken het vooral belangrijk te vinden dat men er zich thuis voelt. Op zich is dat niet verkeerd, als dat maar niet ten koste gaat van de eer voor Gods grote Naam. Het is en blijft Zijn huis.

- de offermaaltijd

Wanneer straks de dag des Heren aanbreekt, zal God de grote machten op aarde oordelen. Er zal veel vlees te eten zijn 28), en alle vogels van de hemel zullen daarvoor worden uitgenodigd. Een passende straf 29) voor deze wereldleiders en hun volgelingen, want God ziet in hen niet in de eerste plaats mensen die de macht op aarde willen uitoefenen. Hij ziet hen als godsdienstige leiders die zich als god laten aanbidden, en allen tot de dood toe vervolgen die zich naar Gods Naam noemen. God accepteert dat nooit, ook al wacht Hij met de uitoefening van het oordeel.

- Gods genodigden zijn geheiligd

Het lijkt er op dat de genodigden niet aan deze maaltijd deelnemen, maar dat zij geheiligd zijn (= apart gezet). Maar waarvoor?
Hún maaltijd komt daarna. Zodra de oordeelsmaaltijd is afgelopen en alle opstand tegen God is verdwenen, is het feest!
Jesaja beschrijft dat er aan het begin van het vrederijk een feestmaal zal zijn voor alle volken 30), waar al die mensen genodigd zijn die God en het Lam trouw gediend hebben. 31)

Het komt wel vaker voor dat een profetie een eerste vóórvervulling krijgt, kort nadat de profetie is uitgesproken. De inval van de koning van Babel is zo'n vóórvervulling van de dag des Heren. Maar de echte vervulling van deze profetie vindt plaats in de nabije toekomst, wanneer de dag des Heren daadwerkelijk gaat aanbreken op aarde volgens de beschrijving vanaf Openbaring 6.

Zefanja 1 : 10 - 11   handel in de stad van God

Nadat God duidelijk heeft gemaakt dat Hij geen afgodendienst accepteert in Zijn huis, wijst Hij op een andere misstand. Die heeft te maken met de handel.
De handel in Jeruzalem bloeit geweldig. Er is een heus handelscentrum ontstaan rond de Nieuwe stad. Een drietal plaatsen valt daarbij op.

1)  de Vispoort

Als eerste handelsplaats wordt de Vispoort genoemd. Dat is na de Schaapspoort een heel belangrijke poort. 32)
Vissen wijst op binnenhalen. Dat is heel belangrijk in de handel, ook onder het volk van God. Maar juist bij hen die zoveel ontvangen hoort ook aandacht te zijn voor het geven en verzorgen, met name van de armen. 33)

In het koninkrijk der hemelen is visser een heel mooi beroep 34), maar als men vooral bezig om zoveel mogelijk binnen te halen, is er iets mis. We horen elkaar ook lief te hebben 35), en dat uit zich b.v. in een gezonde pastorale zorg.

2)  de nieuwe stad

De Nieuwe stad is een vrij onbekend deel van Jeruzalem. Kennelijk is het nog niet zo lang geleden op de heuvels van de stad gebouwd met het oog op de handel. Het is opmerkelijk dat de profetes Hulda daar ook woont 36), een tijdgenoot van Zefanja en van koning Josia. Zij geeft de koning antwoord op zijn vragen.
Zou God haar daar hebben laten wonen om ook als rustpunt en vraagbaak te dienen voor al die mensen die zo druk zijn met de handel?

Hoe vaak schiet ons gebedsleven en het lezen van Gods Woord er niet bij in wanneer we het (voor ons idee) druk hebben? Allereerst is er in de wereld om ons heen veel 'nieuws' en komt er een enorme hoeveelheid informatie op ons af. Daarnaast is er ook onder christenen veel 'nieuws' dat onze aandacht vraagt.
Al deze zaken kunnen ons behoorlijk in beslag nemen. Soms is dat nodig, maar vaak helemaal niet. Iets dat wél altijd nodig is, is de rust en de stilte om bezig te zijn met het Woord van God. Dan kan God Zich namelijk met mij bezig houden.

3)  de Vijzel (Maktesh)

Aangezien dit de enige keer in de Bijbel is dat deze plaats genoemd wordt, weten we er niet zo veel van. Maktesh betekent zoiets als een lage doorgang of spleet 37), en wijst waarschijnlijk op een lager gelegen doorgang tussen de heuvels van de nieuwe stad, waar vooral veel geldwisselaars werken. Jeruzalem is van oudsher de stad waar God Zijn Naam wil laten wonen. 38)
Zefanja stelt vast dat er hard gewerkt wordt, maar dat er nauwelijks oog is voor Gods woonplaats.

Als de Heer Jezus eeuwen later in de tempel komt, treft Hij precies dezelfde zaken aan. Alleen is de handel dan terecht gekomen op het tempelplein zélf, en heeft het rechtstreeks te maken met de offerdienst. 39)  Dat maakt Hem uitzonderlijk boos, en Hij veegt het hele plein schoon. Dit is een treffend voorbeeld van het verwijt aan hen die over de drempel springen 40) en het huis des Heren vullen met verkeerdheden.

Later, wanneer Zijn discipelen zich dit voorval herinneren, beseffen zij dat de Psalmist al over Hem had voorzegd: "De ijver voor uw huis zal mij verteren". 41) Dat gebeurt vanuit Zijn diepe verlangen om de tempel ("het huis van mijn Vader") zijn oorspronkelijke bestemming terug te geven, namelijk om een gebedshuis te zijn. 42)

Wat een 'handel' heerst er vaak op het christelijk erf, en met hoeveel drukte is men bezig om de aandacht te trekken van onkerkelijken met allerlei campagnes en attracties? Zou dat allemaal bedoeld zijn vanuit liefdevolle zorg voor een zoekende ziel, en tot eer van onze Heer?
Met welke ijver letten wij er op dat onze samenkomsten als gemeente allereerst bedoeld zijn om God te danken en om Hem iets te brengen? Hoeveel christenen zijn alleen maar bezig met de vraag: "voel ik mij prettig?" Dat laatste is niet verkeerd, maar nogal eenzijdig.

Zefanja 1 : 12 - 13   onverschilligheid

Er is nog een derde reden waarom God met Zijn oordelen komt, en dat is de onverschilligheid. Na de afgodendienst en de handel lijkt dit een klein probleem, maar God neemt het uiterst serieus. Hij gaat Jeruzalem zelfs met lampen doorzoeken.

Is Hij bang om iets over het hoofd te zien, of om iets niet te kunnen vinden?
Uiteraard niet!
God gebruikt de lampen niet voor Zichzelf, maar voor de inwoners van Jeruzalem, zodat ook zij gaan zien wat niet in orde is. Al veel te lang denken zij dat God niet ingrijpt, terwijl zij intussen dik zijn geworden van luiheid. Ze zijn niet in beweging te krijgen. 43)  Ja, wel voor de handel, maar niet voor de eer van God. God vindt het wel goed zo, lijken ze te denken.

- dik geworden op hun droesem

Jeremia beschrijft de houding van Moab in vergelijkbare woorden: "het heeft stil op zijn droesem gelegen" 44), en dat "vanaf zijn jeugd". De droesem vormt zich op de bodem van het wijnvat wanneer dat langere tijd staat. Daarom moet de wijn van het ene in het andere vat worden overgegoten. De droesem gaat niet mee en blijft achter.
Het is opmerkelijk dat Jeremia deze luie houding van Moab verbindt met het werk des Heren. Dat werk vindt niet plaats in Moab maar in Israël. Gods aanklacht is dan ook dat als Moab vanwege die luie houding veroordeeld wordt, Hij Zijn eigen volk nog zwaarder zal straffen als zij ook zo'n houding aanneemt.
Dit is ook de taal van Zefanja. God kan niet onverschillig blijven als Zijn volk onverschillig is geworden. Hij gaat ingrijpen en neemt hen hun rijkdommen af.

- Laodicéa

De gemeente van God gedraagt zich vandaag niet anders dan het volk Israël ten tijde van Zefanja en Jeremia. In Openbaring 2 en 3 wordt ons door middel van de zeven brieven een schets gegeven van de ontwikkeling van de gemeente op aarde. De laatste fase (waarin wij leven) wordt treffend onder woorden gebracht in de brief aan Laodicéa. 45) De Heer verwijt hen daar dat zij van zichzelf zeggen: "ik ben rijk en verrijkt, en heb aan geen ding gebrek", terwijl zij niet in de gaten hebben dat zij "ellendig, jammerlijk, arm, blind en naakt" zijn.
Toch blijft Hij met hen bezig, in de hoop dat zij ooit weer gaan zien en de deur weer voor Hem open doen.

- de verloren penning

De Heer vertelt een gelijkenis over het verlorene. 46)
De gelijkenis bestaat uit drie delen. Het eerste gaat over een verloren schaap, gevonden door de herder (wijst op de Heer Jezus) en het derde gaat over de verloren zoon, gevonden door de vader (wijst op God de Vader). Het middelste deel van dit drieluik gaat over een verloren penning.
Om die verloren penning te vinden steekt de vrouw een lamp aan, maar het eerste wat haar dan opvalt is de rommel. Die veegt ze eerst aan, voordat ze de penning kan vinden.
Een heel belangrijke volgorde wanneer ik iets kwijt ben in mijn geestelijk leven. Het licht gaat pas aan wanneer de Heilige Geest in mij de gelegenheid krijgt om het Woord van God weer te laten schijnen. Dan zie ik heel scherp wat er tussen mij en God in staat, en wat ik dus moet opruimen. In het algemeen is dit het enige dat moet gebeuren en herstelt God Zijn relatie met mij.

Zefanja 1 : 14 - 18   de dag des Heren

Deze verzen beschrijven het donkere en beangstigende van de dag des Heren. Dat is de eerste fase van Gods ingrijpen en bestaat uit oordeel. De tweede fase bestaat uit de zegen van het messiaanse vrederijk.

Het is voor God geen vreugde om zo te moeten optreden. Na talloze waarschuwingen kan Hij niet anders dan oordelen. Hij komt als een held, maar het is met bitter geschreeuw. 47) Het doet Hem pijn om Zijn volk zo te moeten straffen.
Steden en hoektorens bezwijken. Menselijke bouwwerken houden geen stand zodra de Heer begint met Zijn oordeel. Wanneer de dag des Heren straks zal aanbreken is de gemeente van God in de hemel opgenomen. Toch waarschuwt Petrus ons voor elke gedachte dat ons daarom niets zal gebeuren. Het oordeel begint namelijk bij het huis van God 48), en dat is een ernstige zaak. Onverschilligheid en eigenbelang gaat God oordelen, ook onder ons christenen.

Het zilver en goud kan de mensen straks niet redden. God neemt het af.
Als we bedenken dat het goud wijst op Gods heerlijkheid (denk b.v. aan al het zichtbare goud in de tabernakel 49)) en het zilver op het verzoeningswerk van Christus (denk b.v. aan het geld voor verzoening 50)), dan zijn er gelukkig nog steeds christenen die daarin heel rijk zijn geworden. Maar God geeft die rijkdom niet vrijblijvend. Hij wil dat vertaald zien in ons gedrag naar Hem en naar elkaar, zodat we lijken op de Heer Jezus. Zo niet, dan grijpt Hij in.
Dat is een treffende overeenkomst met Laodicéa, want als zij zich niet bekeert, zal de Heer hen uit zijn mond spuwen. Hij kan niet eindeloos blijven toekijken. "Wie een oor heeft, laat hij horen wat de Geest tot de gemeenten zegt". 51)


 

Dit is een uitwerking van Bijbelavonden in Roodeschool (najaar 2013).