Hoge en lage bronnen

Woningen, voorhoven en altaren

"Van de Korachieten. Een psalm.
Hoe liefelijk zijn uw woningen, o HERE der heerscharen! Mijn ziel verlangt, ja smacht naar de voorhoven des HEREN; mijn hart en mijn vlees jubelen tot de levende God. Zelfs vindt de mus een huis, en de zwaluw een nest voor zich, waar zij haar jongen neerlegt: uw altaren, o HERE der heerschare."
(1)

De kinderen van Korach

Korach ontketent samen met Datan en Abiram een opstand tegen het gezag van Mozes en Aäron. Maar daarmee dús tegen God, want Hij had immers het gezag aan deze twee mannen gegeven?
God laat dan ook duidelijk zien, dat dit drietal geen grond heeft om op te staan. Samen met hun vrouwen en kinderen, en al hun sympathisanten, worden ze door de open aarde verzwolgen (2).
Behalve de kinderen van Korach. Zij blijven gespaard (3). Waarom? Waren zij beter dan de kinderen van Datan en Abiram?
Geen sprake van!

De kinderen van Korach kunnen dan ook maar één conclusie trekken: het is pure genade dat zij gespaard bleven. En als zij zich dat realiseren, ontstaat de behoefte om die God beter te leren kennen.
Voor een christen is dat vandaag net zo.
Hij voelt zich niets beter dan zijn ongelovige buurman of buurvrouw (4). Het is de goedertierenheid van God geweest die hem tot bekering heeft geleid (5), en dat is pure genade!

Psalmen van de kinderen van Korach

Deze Korachieten hebben 11 psalmen gemaakt: 42, 44, 45, 46, 47, 48, 49, 84, 85, 87, 88.
In het algemeen wordt een lied of een psalm gemaakt door één persoon, maar de Korachieten hebben ze met elkaar gemaakt. Dat wijst er op dat hun onderlinge saamhorigheid erg groot is. Ze hebben deel aan dezelfde genade, en dat schept een bijzondere band.
Net als onder christenen nu (als het goed is).

In hun psalmen is een stijgende lijn te ontdekken: ze komen steeds dichter bij God en ze verlangen er naar om in het huis van God te zijn. Waar God woont, willen zij ook zijn (6).

Psalm 84

Ze zijn nog niet in Sion (7), maar in de woestijn. Het is nog niet de tempel, maar de tabernakel. Dat is op dat moment de woning van God. Daar kunnen zij God ontmoeten, en omdat ze levieten zijn (8) mogen ze de priesters meehelpen in hun dienst.

- zelfkennis

Zijn ze daar een beetje trots op? Nee, want ze vergelijken zich met een mus en een zwaluw (9). Een musje kost niet veel (10), en toch mag zo'n waardeloos vogeltje rust vinden bij het altaar.
Hoe dichter wij bij God leven, hoe meer we ons bewust zijn van Zijn genade en hoe kleiner wij worden in eigen ogen.

- ik en mijn huis

Dat musje vindt niet alleen rust voor zichzelf, maar ook voor haar jongen (11).
Gods genade strekt zich uit tot het hele huis, want God heeft iedere huisgenoot voor ogen, vooral de kinderen (12). Waar kunnen we onze kinderen (in gebed) het beste neerleggen? Juist, bij het kruis van de Heer Jezus, waar Hij als het Lam van God is geslacht. Daar heb ik rust gevonden, en ik vertrouw er op dat ook mijn kinderen Hem als hun Heiland leren kennen.

- alles in meervoud

De tabernakel is die ene woning van God (13), met één voorhof en in die voorhof één altaar. Toch spreken de Korachieten over woningen, voorhoven en altaren.
Het is voor hen zo overweldigend om dicht bij God te leven. Zij leren zoveel over Zijn liefde, trouw, genade, barmhartigheid, goedertierenheid, enz. Voor hen zijn al die eigenschappen van God op Zich al een altaar waard.

Het is voor een kind van God prachtig om onze Vader, en de Heer Jezus te leren kennen op een manier die nog intiemer is dan de Korachieten dat konden. Daarbij maakt het niet uit op welk moment, uit welke richting en in welke gemoedstoestand ik kom. Altijd is er:

  • een altaar, een rustpunt om te danken voor 'mij en mijn huis'.
  • een voorhof, waar ik met anderen Hem kan dienen.
  • een woning, waar ik bij Hem mag zijn.


terug naar 'Hoge en lage bronnen' - overzicht