De christen en de wet

Twee meningen

De wet is een onderdeel van het Woord van God, en is dus belangrijk. De vraag is alleen wat het belang ervan is voor de christen vandaag.
In het algemeen bestaan er twee opvattingen:

1) "het is onze leefregel"
In bepaalde kringen wordt de wet (de tien geboden) elke zondag vanaf de kansel voorgelezen. Soms met de gedachte dat de eeuwige redding afhangt van het onderhouden van de wet, maar vaak ook vanuit het idee dat het goed is om er naar te luisteren en daardoor God te dienen ("om die te doen uit dankbaarheid").

2) "we zijn niet meer onder de wet"
In de evangelische wereld heeft men vaak bewust afscheid genomen van zo'n omgeving, juist vanwege de rol van de wet. Dat gebeurt dan zo drastisch dat men denkt dat een christen helemaal niets meer met de wet te maken heeft. Dat de tien geboden er nooit worden gelezen is dan begrijpelijk, maar het blijkt zelfs moelijk te zijn om elkaar aan te spreken op (vermeend) onbijbels gedrag, want dat wordt als wettisch ervaren.

We willen in drie opeenvolgende fases nagaan hoe de Bijbel over de wet spreekt:

  1. de wet in het Oude Testament
  2. de wet in de evangeliën
  3. de wet in enkele brieven van het Nieuwe Testament

1) de wet in het Oude Testament

Voor wie is de wet?

We komen de wet voor het eerst tegen op het moment dat Israël uit Egypte bevrijd is, en zich drie maanden later legert aan de voet van de berg Sinaï (1). Daar nodigt God Mozes uit om namens het volk bij Hem op de berg te komen.

God voert dan een serie gesprekken met Mozes. Allereerst begint Hij met een korte samenvatting van Zijn plan: Hij heeft het volk verlost en tot Zich gebracht, zodat zij Hem zouden dienen als koningen en priesters, als een heilig volk (2).
Dan volgen de tien geboden (3), en tenslotte de beschrijving van de tabernakel en de priesterdienst (4). Zo laat God duidelijk zien dat Hij bij Zijn volk wil gaan wonen om hen regelmatig te ontmoeten.

Israël is niet verlost door het ontvangen en onderhouden van de wet. Zij waren in Egypte veilig achter het bloed van een geslacht lam (5), en helemaal vrij toen zij de lichamen van de dode Egyptenaren zagen drijven in de Rode Zee. Toen konden zij zingen! (6)
Antwoord: de wet is voor het verloste volk Israël.

 

Wat is de bedoeling van de wet?

God wil dat Zijn volk zich gelukkig voelt binnen het verbond dat Hij met hen wil sluiten. Straks zullen ze in het beloofde land wonen. Ze zullen een koninkrijk vormen, dat geen enkel ander volk kent. Het zal een rijk zijn zonder koning (want dat is God Zelf (7)), maar niet zonder wet, een wet van God Zelf ontvangen.
Wat een uniek volk (zoals de sprinkhanen in Spr.30:27 (8))!
God geeft hen een groot aantal voorschriften op allerlei terreinen, te beginnen met de tien geboden.
Het volk vindt dat geen enkel probleem en zelfverzekerd roepen zij eensgezind: "alles wat de Here gesproken heeft, zullen wij doen", (9) zelfs voordat zij ook maar één woord van de wet kennen! En dat herhalen ze even later nog twee keer (10).
God heeft grote plannen met hen, maar zij kennen zichzelf buitengewoon slecht.

Dat wordt meteen duidelijk, wanneer Mozes weer op de berg is en de wet ontvangt op twee stenen tafelen. Als één van de eerste dingen staat er op te lezen "Gij zult u geen gesneden beeld maken" (11).
Terwijl Mozes nog op de berg is, en het volk vindt dat hij té lang wegblijft, maken ze een feest rond een gouden kalf en zeggen: "dit is uw god, Israël, die u uit het land Egypte heeft gevoerd" (12).
Wat een ontgoocheling!

Antwoord 1:door de wet leren zij zichzelf kennen. Ze kunnen die wet alleen maar overtreden.

Is dat alles? Nee, ze moeten nog iets leren.
Bij zo'n afschuwelijke zonde staat God helemaal in Zijn recht om dat volk te vernietigen. Maar Mozes gaat tot God om te bidden om verzoening (13). En God verhoort dat gebed!
Juist bij deze gelegenheid leren zij een nieuwe Naam van God kennen: "Ik zal genadig zijn, wie Ik genadig ben" (14). Zó gaat God roepend aan Mozes voorbij, want Hij wil dat Zijn volk Hem in de eerste plaats leert kennen als een God van genade.
Op grond van de wet had dit volk veroordeeld moeten worden, maar God gaat met hen verder op grond van genade.

Antwoord 2:door het overtreden leren zij God kennen: Hij bewijst genade na berouw.

 

"Hoe lief heb ik Uw wet" (15)

Hoe kan de Psalmist dat nou zeggen? Als hij door de wet alleen maar ontdekt hoe zondig hij is, wat voor moois zit er dan aan zo'n wet?

De wet is door God gegeven, en is dús goed. Alleen de mens is niet goed, en de wet is een prima instrument om dat te laten zien.
Iedere Israëliet, die dat begrijpt, gaat naar God en ontvangt genade.

Maar er gebeurt nog iets, en dat geldt al vanaf de zondeval van Adam en Eva. Zodra iemand tot God komt en een beroep doet op Zijn genade, geeft God zo'n persoon nieuw leven. Wedergeboorte heet dat (16).
En dat maakt alles anders!
Zo kan het gebeuren dat niet alleen de Psalmist, maar ook mensen als Zacharia en Elisabeth de wet prachtig vinden (17). Zij zijn beiden rechtvaardig, niet op grond van het naleven van de wet, maar op grond van genade, en dankzij dat nieuwe leven vinden zij het heerlijk om naar Gods inzettingen te leven.

De volgorde is dus: eerst pleiten op genade, dan nieuw leven ontvangen en daarna met vreugde leven volgens Gods wet.

 

2) de wet in de evangeliën

Het koninkrijk der hemelen

Mattheüs beschrijft hoe de Heer Jezus tot Zijn volk Israël komt als hun Koning, en dat Zijn koninkrijk op het punt staat om te beginnen (18). Weliswaar wordt Hij als Koning verworpen, maar het koninkrijk der hemelen begint. Het is nog geen openlijke regering, maar wel zichtbaar, namelijk in al die mensen die Hem als hun Heer willen dienen (19). De Heer noemt hen discipelen (= volgelingen, leerlingen). Zij zijn de onderdanen van het rijk.
Aanvankelijk zijn dat er twaalf, maar ook ieder die vandaag gelooft en er door de doop openlijk voor uitkomt een christen te zijn, is een discipel, en is dus een onderdaan in het koninkrijk der hemelen.

Evenals elk ander rijk heeft ook het koninkrijk der hemelen een grondwet. Zo zou de z.g. 'bergrede' genoemd kunnen worden. Dat is de toespraak van de Heer Jezus in Mattheüs 5 - 7.
Die woorden zijn niet gericht tot het volk in het algemeen, maar alleen tot Zijn discipelen (20), dus tot mensen die belijden dat ze de boodschap van de Heer aangenomen hebben, en Zijn gezag erkennen.

Hij spreekt deze toespraak uit op het moment dat vele scharen Hem volgen vanuit het hele land. Zelfs tot over de grenzen wordt Hij bekend vanwege Zijn prediking en wonderen (21).
Uiterlijk lijkt alles er dus op te wijzen dat Hij weldra de troon zal bestijgen.
Daarom gaat de Heer Zijn discipelen voorbereiden. Maar Hij bereidt hen niet voor op regeren, maar op vervolgingen en lijden. Daarmee geeft Hij aan dat er eerst een moeilijke fase gaat komen vóórdat Hij openlijk als Koning gaat regeren.

 

"Ik ben niet gekomen om de wet te ontbinden"

Zodra een groep mensen de macht in een land in handen krijgt, wordt de grondwet buiten werking gesteld en wordt er een nieuwe ingevoerd.
Kennelijk verwachten Zijn discipelen iets dergelijks, want de Heer zegt: "Meent niet dat ik gekomen ben om de wet te ontbinden" (22). Hij lijkt hen op dit punt te willen corrigeren.
De wet die Israël in het Oude Testament kreeg, wordt door de Heer namelijk niet buiten werking gesteld, maar krijgt wel een veel diepere inhoud.

Vervolgens gaat Hij hen uitleggen hoe die verdieping van de wet er uit ziet.
Hij heeft niks met mensen zoals de farizeeën, die alleen maar wetten en (vooral!) zelfbedachte regels naleven. Die hebben in Zijn rijk niets te zoeken.
Zijn discipelen krijgen te maken met de wet van Christus, en die is vele malen moeilijker dan de wet van de Sinaï!

 

"Ik ben gekomen om de wet te vervullen"

Op een zestal punten vergelijkt de Heer de wet van Sinaï ("u hebt gehoord dat gezegd is") met Zijn geboden ("maar Ik zeg u"): drie uit de tien geboden en drie uit de overige wetgeving (23).
We kunnen hier niet op alle zes vergelijkingen dieper ingaan, maar willen ons beperken tot één punt, n.l. het zesde gebod.

"Gij zult geen overspel plegen" (24)

Op het bedrijven van overspel stond de doodstraf (25), en dat wordt door de Joden in het Nieuwe Testament nog steeds gehandhaafd (26).
De wet van Christus richt zich niet in de eerste plaats tot de daders, maar tot iedere discipel die over de grenzen van zijn of haar eigen huwelijk heenkijkt naar iemand anders. En dan kan het gebeuren dat er bepaalde gedachten of gevoelens komen.
Dat kan iedereen overkomen, ook een discipel van de Heer. Zoiets dient echter ogenblikkelijk veroordeeld te worden. Zo niet, dan pleegt zo'n discipel al overspel, niet in bed maar in zijn (of haar) hart.

Ook de andere vijf vergelijkingen maken duidelijk dat de wet van Christus véél meer vraagt dan de wet van Sinaï ooit gedaan heeft.
Dan rijst de vraag bijna vanzelf: wie kan zo'n wet naleven?

 

Wie kan de wet van Christus naleven?

Enige tijd na het uitspreken van de 'bergrede' wordt duidelijk dat het volk Zijn Koning verwerpt, met name in de steden waar Hij Zijn grootste krachten gedaan heeft (27).
Maar te midden van een volk, dat zichzelf te trots en te intelligent vindt voor zo'n Koning, begint de Heer te danken voor kleine kinderen (28). Dat zijn niet de minderjarigen, maar dat is ieder mens die zichzelf voor God klein gemaakt heeft, met een beroep op Zijn genade. Dát is Zijn discipel, die in kinderlijk geloof leert vertrouwen op zo'n God. Meer kwaliteiten zijn niet nodig. Dat is het enige wat de Heer vraagt!

Wat maakt de Heer zo dankbaar?
Het moment is aangebroken waarop deze kinderen iets mogen zien van de Vader, en dat is een totaal nieuwe openbaring! Nooit eerder is er binnen of buiten Israël iemand geweest die iets van de Vader heeft gezien. Alleen de Heer Jezus. Hij was de Enige die de Vader kent (29).
Dit voorrecht kan Hij nu delen met iedere discipel, die Hij dan ook van harte uitnodigt om te komen, ongeacht met welk probleem of welke last. Hij wil een discipel zien als iemand die zijn (of haar) eigen last aan Zijn voeten neerlegt, zodat er rust en vrede komt (30).
Wanneer dat punt is bereikt, komt de Heer met Zijn juk en Zijn last, en legt die op de schouders van Zijn discipel. Dat is Zijn wet (Zijn geboden), en die is heerlijk licht. Zo leren we op Hem te lijken in zachtmoedigheid en nederigheid, en dat is een waar genot voor elke discipel.

Conclusie

In principe is de volgorde onder de wet van Christus hetzelfde als onder de wet van Sinaï, eerst een beroep doen op Gods genade, dan nieuw leven ontvangen en daarna met vreugde voor Hem leven.
Alleen de genade is veel overvloediger dan in het Oude Testament. We leren God nu pas echt kennen: Hij is Vader!
En dan kan in ons leven iets zichtbaar worden van de Heer, op Wie we zo graag willen lijken (31).
Dat was totaal onbekend voor de meest godvruchtige Israëliet, inclusief Johannes de Doper (32).

 

3) de wet in enkele brieven van het Nieuwe Testament

In een aantal brieven komt het thema 'wet' aan de orde, maar steeds weer op een iets andere manier. Kennelijk doet het probleem zich op verschillende manieren voor, maar kort samengevat kunnen we stellen: de druk van de wet komt óf van binnen óf van buiten.
We kijken kort naar de brief aan de Galaten (voor de druk van buitenaf) en naar de brief aan de Romeinen (voor de druk van binnenuit).

 

de brief aan de Galaten

Na het eerste bezoek van Paulus krijgen deze gelovigen uit de heidenen bezoek van Joodse predikers die hen willen wijsmaken dat zij besneden moeten worden en de wet moeten gaan houden.
In deze brief legt Paulus hen glashelder uit hoe zij de wet moeten zien. We noemen een paar punten.

- de wet is onze tuchtmeester tot op Christus (33)

Paulus gebruikt een voorbeeld (34).
Een erfgenaam (b.v. de zoon van een ondernemer) groeit op in het gezin, en zal over een poosje de firma van zijn vader overnemen. Ongetwijfeld zal hij wel eens met zijn vader door het bedrijf lopen, maar zolang hij onmondig is heeft hij niets te vertellen. Niemand zal naar hem luisteren, want hij staat nog gewoon onder het gezag van zijn vader.
Dat geldt echter ook voor iedere werknemer (of slaaf) in dat bedrijf. Er is in dat opzicht geen enkel verschil tussen deze zoon en de slaven van zijn vader. Rijke lieden kunnen zich een opvoeder (of pedagoog, tuchtmeester) veroorloven, die er voor moet zorgen dat de erfgenaam zich goed ontwikkelt. Daarvoor moet hij vooral goed luisteren naar zo'n opvoeder.

Maar die situatie moet niet zo blijven!
Stel je voor dat de erfgenaam altijd maar onder die opvoeder blijft staan, dan zou iedereen zich afvragen wat er met die jongen aan de hand is. En terecht. Het is namelijk de bedoeling dat de zoon volwassen wordt en het bedrijf gaat overnemen.

Paulus vergelijkt de opvoedingsfase van die zoon met de tijd waarin Israël onder de wet was (35). Zij waren onvolwassen en de wet hield hen onder controle.
Maar dat veranderde drastisch toen 'het geloof' kwam (36), namelijk 'het geloof in Jezus Christus' (37). Tot op dat moment had de wet de functie van pedagoog (tuchtmeester), naar wie het volk Israël gewoon moest luisteren.
Intussen hadden ze geen idee van de volle rijkdommen van hun hemelse Vader, want dat kón God hen nog niet vertellen.

Maar wanneer de Heer Jezus komt wordt alles anders.
Ieder die Hem aanneemt als Heiland en Heer ontdekt Wie God werkelijk is: namelijk Vader. En hij ontdekt dan ook wie hij zelf is geworden: namelijk een zoon van God. Hoewel hij ook een kind van God is, gaat zoonschap iets verder. Kind-zijn wijst op geboorte, zoon-zijn wijst op een bewuste relatie met vader.

Zó wil God ons zien: als vrije christenen die zich bewust zijn van hun rijkdom, en die uitroepen "Abba, Vader" (38).
Zou het dan denkbaar zijn om weer terug te keren naar die opvoedingsfase voordat de Heer Jezus kwam? Onmogelijk! Dan zou Christus zonder reden gestorven zijn (39).

- de eerste beginselen van de wereld

Paulus drukt zich heel scherp uit wanneer hij het heeft over de periode onder de wet. Hij noemt het de tijd 'onder de eerste beginselen van de wereld' (35). Dat zijn de dingen die een gewoon mens van nature al bijna vanzelf gaat doen omdat hij graag godsdienstig wil zijn. Zo'n drang zit in ieder mens.

Daarmee zegt Paulus dus dat de wet van Sinaï weliswaar door God gegeven is, maar dat de inhoud helemaal aansloot bij het godsdienstige niveau van de Israëliet.
Dat godsdienstige verlangen zat vroeger ook in deze Galaten, toen zij als heidenen de afgoden dienden (40).
Het verschil tussen de heiden en de Israëliet is hun god en de inhoud van hun wetten, maar niet het niveau! Dat is precies gelijk. Daarom waarschuwt Paulus deze gelovigen uit de heidenen dat, als zij de wet gaan dienen, zij zich weer plaatsen onder 'zwakke en arme eerste beginselen', die zij dan weer opnieuw willen gaan dienen (41), namelijk evenals in hun onbekeerde, heidense tijd.

Toen kenden zij God nog niet (Israël wél), maar nog belangrijker is dat zij nu door God gekend zijn (41). Dat betekent dat God hen nu kent als Zijn eigen zonen, met wie Hij een volwassen omgang wil hebben. Dat kent zelfs geen enkele onbekeerde Israëliet!
Er is dan ook geen verschil meer tussen een bekeerde Israëliet en een bekeerde heiden. Beiden hebben Christus aangedaan in de doop, en zijn één in Hem (42).
Maar beiden hebben ook een verleden, en op dat niveau mogen zij niet meer terugvallen.

 

de brief aan de Romeinen

Hoewel Paulus nog nooit in Rome is geweest, is hij wel op de hoogte van de verschillen tussen de gelovigen uit de Joden en uit de heidenen. Ze horen natuurlijk tot één gemeente, maar het is goed te merken dat ze een verschillende achtergrond hebben.
In de eerste hoofdstukken legt hij uit dat het in principe niets uitmaakt. Of je nu onder de wet of zonder wet bent opgevoed, in beide gevallen ben je schuldig en heb je de Heer Jezus nodig (43).
Dan komt hoofdstuk 7 waarin hij duidelijk maakt waarom de wet op een christen zoveel invloed kan hebben. De wet laat namelijk prima zien dat al mijn goede bedoelingen als christen niet gaan lukken zolang ik het in eigen kracht doe. De druk van de wet komt nu van binnenuit.
Lees voor meer uitleg ja maar, ik doe nog zoveel zonden.

 

Samenvatting

  • De wet is door God gegeven, en dus mankeert er niets aan.
  • De wet was dé leefregel van God voor zijn verloste volk Israël.
  • Bij Christus' komst kreeg diezelfde wet een veel diepere inhoud in het koninkrijk der hemelen, en wordt dan genoemd: de wet van Christus. Dat koninkrijk is nu zichtbaar in Zijn discipelen, en dat zijn allen (Jood of heiden) die Christus willen volgen en dienen.
  • Vóór Christus kwam was een gelovige Israëliet onmondig als een klein kind. Nú is elke gelovige in Christus een volwassene, die de Vader kent en Hem vrijmoedig aanspreekt met: "Abba, Vader".
  • Een christen is niet meer onder de wet van Sinaï, maar onder de wet van Christus (ook genoemd 'de volmaakte wet' of 'de wet van de vrijheid').