De doop

Er is waarschijnlijk geen onderwerp dat christelijk Nederland zó verdeelt als de doop. Dat weerhoudt ons er niet van om op een paar Bijbelse principes te wijzen.
We hebben het dan niet over de doop met de Heilige Geest, of over de proselietendoop, of over de doop van Johannes, maar over de christelijke doop met water.
Het is ook niet de bedoeling om hier te vertellen hoeveel water er gebruikt moet worden, op welke leeftijd er gedoopt moet worden, welke 'doopformule' er moet worden uitgesproken, of welke kleding een dopeling moet dragen.
Het gaat algemeen om de vraag waarom er gedoopt moet worden.

Wat doet de doop níet?

Het helpt al veel als duidelijk is wat de doop in ieder geval niet doet:

  1. door de doop word ik niet wedergeboren.
    Sommigen denken dat de Heer tegen Nicodemus spreekt over doopwater (1), maar dat kan natuurlijk niet, want doopwater maakt niet levend. Dat doet alleen het Woord van God, en dat wordt wel vaker vergeleken met water (2). De Heer wil dus zeggen dat iemand alleen wordt wedergeboren door de Geest van God, die de Bijbel gebruikt om iemands geweten te treffen.
    Dat heeft wedergeboorte tot gevolg, en dat maakt iemand tot een kind van God.
  2. door de doop word ik niet een lid van de gemeente van God.
    De waterdoop is een uiterlijke, symbolische handeling. Het lidmaatschap van de gemeente van God hangt alleen maar af van de vraag of ik wedergeboren ben. Als ik geloof in het volbrachte werk van de Heer Jezus, word ik verzegeld met de Heilige Geest (3) en ben ik automatisch lid van de gemeente van God. Daar horen namelijk alle gelovigen bij. De waterdoop voegt daar niets aan toe.
  3. door de doop kom ik niet in de hemel.
    De boosdoener, die naast de Heer aan het kruis hangt, gelooft in Hem en dat is genoeg om bij Hem in het paradijs te zijn (4). Als Petrus zegt dat de doop behoudt (5), bedoelt hij niet te zeggen dat iemand na de doop klaar is om de hemel binnen te gaan, maar dat zo'n persoon komt op het terrein van Gods zegen; en wel hier op aarde.

Er zijn miljoenen gedoopte mensen, maar als zij zich niet bekeren, gaan zij verloren. De doop heeft niets te maken met de hemel, maar alles met de aarde.

Wat doet de doop wél?

De doop maakt mij tot een discipel van Christus; iemand, die Zijn kant kiest.
De Heer Jezus kwam op aarde, werd verworpen, gekruisigd en begraven. Dat is het beeld wat de wereld van Hem heeft.
Als ik een christen wil zijn, ligt dat anders. Ik weet dat Hij de Zoon van God is, die mij heeft liefgehad, en Zichzelf voor mij heeft overgegeven (6). Hij is opgestaan, en leeft nu in de hemel. Door mij te bekeren kom ik ook in de hemel, en dat is ook de enige manier om daar te komen. Daar heeft de doop niets mee te maken.

uitvergroten De doop gaat over mijn leven op aarde. Daar wil ik Zijn discipel zijn, d.w.z. Zijn volgeling, Zijn leerling. De Heer beveelt aan Zijn discipelen dat zij anderen tot discipel moeten maken door hen te dopen en te onderwijzen (7). In de doop voeg ik mij dus bij Zijn discipelen, en dat is het gezelschap dat hoort bij een verworpen Koning. Daarmee accepteren discipelen dat zij bereid zijn om in principe hetzelfde lot te willen ondergaan als hun Meester (8).
In veel landen is dat ook letterlijk het geval. Zodra iemand zich daar laat dopen, is zijn of haar leven in gevaar. In ons 'beschaafde' westen lopen we weliswaar niet zo snel het risico om gedood te worden, maar we krijgen ongetwijfeld te maken met een vorm van verachting, zodra we duidelijk christen willen zijn.
Zowel Paulus als Petrus gebruiken een beeld om uit te leggen wat zij met de doop bedoelen.

Begrafenis
Paulus spreekt over de doop als een dood en een begrafenis (9).
Het is weliswaar een symbolische dood en een symbolische begrafenis, maar het is wel duidelijke symboliek! In de doop word ik begraven, omdat een begrafenis de meest radicale manier is om te breken met het verleden. Ik kom natuurlijk uit het doopwater omhoog, maar ik ben vanaf dat moment doordrongen van het feit dat ik mij niet meer hoor te gedragen volgens mijn oude leven. Dat is immers begraven.

Ark van Noach
Petrus wijst naar de ark, waarin Noach en zijn familie werden overgebracht naar een andere wereld (10). De ark heeft hen behouden, d.w.z. veilig door het oordeel gebracht naar een nieuwe aarde. Op precies dezelfde manier behoudt de doop mij. Er is op aarde maar één veilige plaats, en dat is in het graf van de Heer Jezus. Daar komt het oordeel namelijk nooit meer. Dat is de plaats waar ik wil zijn.
En als de wereld mijn Heer daar gebracht heeft, dan heeft de wereld voor mij afgedaan. Het gevolg kan zijn dat de wereld op haar beurt mij ook de rug toekeert, maar dat hoort er bij (11). Maar als ik uit het doopwater kom, leef ik verder op een nieuwe manier, namelijk in de kracht van het opstandingsleven.

Conclusie:

In de doop kies ik openlijk de kant van een verworpen Heer!
Het gaat er niet om dat ik mij laat dopen omdat er iets met mij gebeurd is (een soort belijdenis van mijn bekering), maar omdat er in de doop iets met mij gebeurt (namelijk een discipel worden).


Bijkomende zaken

Zodra de doop ter sprake komt, zijn er (bijna) altijd een paar zaken die er mee in verband gebracht worden, terecht of niet terecht.

Kinderdoop
Het is opmerkelijk dat er in de bijbel niets staat over een kinderdoop of een volwassendoop. Iemand gelooft en laat zich dopen. Dat is alles.
Er lijkt één uitzondering te zijn. Soms worden huisgezinnen gedoopt. Het bijzondere is dat er dan niet gezegd wordt hoe oud de kinderen zijn, of dat ook zij tot geloof gekomen zijn. Het is net alsof dat van ondergeschikt belang is. Een paar voorbeelden:

  • Als we nog eens naar Noach kijken, dan lezen we in Genesis alleen over zijn geloof (12); en Petrus zegt, dat op grond daarvan acht zielen behouden worden (dus op een nieuwe aarde komen).
  • De gevangenisbewaarder in Filippi vraagt: Wat moet ik doen om behouden te worden? Het antwoord van Paulus is: Geloof in de Heer Jezus en jij zult behouden worden, jij en jouw huis (13). Het geloof van deze man was dus toereikend voor de behoudenis van zijn huis. Dat betekent niet dat zijn huisgenoten door zijn geloof in de hemel zouden komen, maar dat allen in zijn huis deel zouden krijgen aan Gods zegen. Zijn hele gezin wordt gedoopt op grond van zijn geloof.
    Later blijkt dat zij allemaal tot geloof gekomen zijn (14) (hoewel de vertaling ook kan zijn: "hij verheugde zich met zijn hele huis, dat hij tot geloof in God gekomen was"), maar dat was geen voorwaarde om allen te dopen.

Het geloof van één ouder is al genoeg om te rekenen op Gods zegen voor het hele huis. Vandaag zijn er wereldwijd veel gelovigen die hun kinderen dopen op grond van het geloof, dat hun kinderen niet 'toevallig' in hun huis geboren worden. Zij vertrouwen er op dat de Heer hen vroeg of laat tot geloof brengt. God kijkt altijd naar complete huisgezinnen. Zijn beloften gelden voor "u en uw huis", zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament (15). Daarom brengen zij hun kinderen door de doop op het gebied van Gods zegen.
Er lijkt dus enige bijbelse grond te zijn om de huisdoop in praktijk te brengen.

Het verbond
Velen dopen hun kinderen, omdat zij daardoor opgenomen zouden worden in het verbond. Dat lijkt een beetje op de huisdoop, maar dat is het niet. Deze gedachtengang berust op een aantal punten die met elkaar in verband worden gebracht:

  1. God sluit een verbond met Abraham
  2. De besnijdenis is het teken van dat verbond
  3. De gemeente komt in de plaats van Israël
  4. De doop komt in de plaats van de besnijdenis

Men denkt dan: kinderen van gelovigen worden nu gedoopt, zoals vroeger de jongetjes in Israël werden besneden.
Is deze gedachtengang terecht?

Deze gedachten zijn een onderdeel van een veel uitgebreidere visie over Israël en de gemeente. Het kernpunt daarin is, dat de gemeente de plaats van Israël heeft ingenomen, met als gevolg dat alle (toekomstige) zegen voor Israël nu voor de gemeente is.
Die visie geeft nogal wat problemen, want het zijn totaal verschillende groepen. We noemen hier heel beknopt enkele verschillen. De toekomst van Israël is op aarde, die van de gemeente in de hemel. De gemeente verwacht nu allereerst de komst van de Heer Jezus, niet "op de jongste dag, om te oordelen de levenden en de doden", maar om ons op te nemen in de hemel(16). Daarna herstelt God de band met Zijn oude volk Israël, dat door veel lijden uiteindelijk de zegen van het duizendjarige rijk zal binnengaan.
Dit geeft al voldoende aan dat de gemeente niet zomaar kan overnemen wat God aan Israël heeft gegeven.

Het verbond heeft God met Abraham gemaakt(17). Dat houdt in dat Israël straks het voorwerp en verdeelpunt van Gods zegen zal zijn. De hele wereld zal er van profiteren.
De besnijdenis is het teken van dat verbond(18). Het mannelijk deel van Israël moest dat ondergaan.
Zowel het verbond als de besnijdenis zijn zaken tussen God en Israël. Er is geen enkele Bijbelse grond om Gods verbond met Abraham over te hevelen naar de gemeente. En dus is er voor ons ook geen bijbehorend teken, en al helemaal geen aanleiding om zo'n uiterlijk teken te vervangen door een uiterlijke handeling als de doop.
De samenhang tussen doop en verbond berust op een aaneenschakeling van menselijk redeneren.

Toch hebben we de geestelijke lessen uit Israëls geschiedenis ter harte te nemen. Sterker nog: het is hun allemaal overkomen om ons iets te leren(19).