Liederen en hun achtergrond

Amazing grace

 

Zo begint één van de meest geliefde liederen.
De dichter was John Newton, die zichzelf dat wrak noemde, dat eens verloren was, maar gered werd door 'amazing grace'.

John werd geboren in Londen op 24 juli 1725 als zoon van de kapitein van een koopvaardijschip dat veelal in de Middelandse Zee voer. Op 19-jarige leeftijd ging hij bij de marine, maar werd later op eigen verzoek overgeplaatst op een slavenschip. Daar werd hij knecht van een slavenhandelaar, die hem echter grof behandelde.
In het begin van 1748 zorgde een kapitein, die zijn vader goed gekend had, er voor dat hij daar weg kon. Uiteindelijk kreeg hij een eigen schip, maar ging wél verder in de slavenhandel!

Zijn moeder had hem over God verteld, maar zij stierf toen John nog een kind was. Hij had het geloof sindsdien eigenlijk losgelaten.
Toch heeft hij gebeden, en wel op een thuisreis toen het schip in een vreselijke storm terechtkwam en hij er van overtuigd was dat zij zouden vergaan. Hij riep het uit: "Heer, heb genade met ons!"
Later wees hij dit moment aan als 'de grote ommekeer', waarin God tot hem sprak en genade begon te werken.

Na de dag van zijn bekering, 10 mei 1748, bleef hij doorgaan met de slavenhandel, maar zorgde er wel voor dat de slaven aan boord een humaner bestaan kregen.

Hij trouwde in 1750, en begon met een studie Latijn. Toen hij in 1755 ernstig ziek was geweest, gaf hij zijn zeemansbestaan op. Daarna ontmoette hij John Wesley, die hem bemoedigde om de Heer Jezus te dienen. Dat heeft hij tot aan het eind van zijn leven met grote overgave gedaan in prediking en evangelisatie.
Zo werd de slavenhandelaar zelf een slaaf, namelijk een slaaf van Jezus Christus. Waarschijnlijk heeft hij het lied 'Amazing grace' gemaakt tussen 1760 en 1770. De eerste uitgave in 1779 bevatte de zes coupletten, die hier in het engels te lezen zijn.

De laatste jaren van zijn leven was hij blind, maar het weerhield hem er niet van om zijn Heer te blijven dienen. Hij stierf op 21 december 1807, in de diepe overtuiging dat 'amazing grace' hem thuis zou brengen.

John Newton, 1725 - 1807

Amazing grace! (how sweet the sound)
That sav'd a wretch like me!
I once was lost, but now am found,
Was blind, but now I see.

'Twas grace that taught my heart to fear,
And grace my fears reliev'd;
How precious did that grace appear,
The hour I first believ'd!

Thro' many dangers, toils and snares,
I have already come;
'Tis grace has brought me safe thus far,
And grace will lead me home.

The Lord has promis'd good to me,
His word my hope secures;
He will my shield and portion be,
As long as life endures.

Yes, when this flesh and heart shall fail,
And mortal life shall cease;
I shall possess, within the veil,
A life of joy and peace.

The earth shall soon dissolve like snow,
The sun forbear to shine;
But God, who call'd me here below,
Will be forever mine.


 

Genade, zo oneindig groot.
Dat ik, die 't niet verdien
het leven vond, want ik was dood
en blind, maar nu kan 'k zien.

Genade die mij heeft geleerd
te vrezen voor het kwaad.
Maar ook - als ik mij tot Hem keer
dat God mij nooit verlaat.

Want Jezus droeg mijn zondelast
en tranen aan het kruis.
Hij houdt mij door genade vast
en brengt mij veilig thuis.

Als ik daar in zijn heerlijkheid
mag stralen als de zon,
dan prijs ik Hem in eeuwigheid   )
dat ik genade vond.              )2x