Liederen en hun achtergrond

Dankt, dankt nu allen God

 

De dertigjarige oorlog (1618-1648) is waarschijnlijk één van de meest verwoestende oorlogen in Duitsland geweest. Het heeft miljoenen mensen het leven gekost, niet alleen door oorlogsgeweld, maar ook door honger en ziekte.

In 1617, dus één jaar voordat de oorlog uitbrak, werd Martin Rinckart benoemd tot geestelijk leider van de kerk in Eilenburg, niet ver van Leipzig, de stad waar hij op 23 april 1586 geboren werd als zoon van een kopersmid. Na zijn studie in Leipzig verliet deze muzikale jongeman het bedrijfsleven en werd geestelijke.

Een jaar na zijn benoeming brak de oorlog uit en hij stierf op 8 december 1649, een jaar nadat de vrede was getekend. In die 31 jaar kreeg hij in het stadje Eilenburg te maken met alle verschrikkingen van de oorlog, zoals inkwartiering van soldaten en regelmatige plundering van zijn kleine voedselvoorraad in huis. Waar hij kon hielp hij, maar dit was nog maar het begin.

In deze erbarmelijke omstandigheden ging de pest als een plaag door Europa, en trof ook Eilenburg in 1637 op een verschrikkelijke manier.
De stad was overvol met vluchtelingen. In dat jaar stierven 8000 mensen. Martin Rinckart stond er in veel opzichten alleen voor. Hij heeft 4000 mensen begraven, waaronder zijn eigen vrouw. Wonder boven wonder bleef hij gezond, en met de burgemeester en nog iemand vormde hij een driemanschap dat de nood onder de mensen zoveel mogelijk probeerde te lenigen.
De honger was zo groot, dat mensen op staat vochten om een dode rat.

Na dit rampjaar kwam het Zweedse leger ook nog eens naar de stad en legde het een belasting op van 30.000 dollar. Rinckart ging naar de generaal om smeekte om barmhartigheid. Toen dat werd geweigerd, richtte hij zich tot de inwoners die hem waren gevolgd en zei: "kom mijn kinderen, wij vinden geen gehoor of barmhartigheid bij mensen; laten wij onze toevlucht nemen tot God". Hij viel op zijn knieën en bad zo indringend dat zelfs de Zweedse generaal geroerd was en zijn eis verlaagde tot 2000 florijnen.

Martin Rinckart raakte bijna al zijn bezittingen kwijt en kon slechts met de grootste moeite brood en kleding vinden voor hem en zijn kinderen.
Toch werd zijn geest niet gebroken. Hij heeft veel liederen gemaakt, waaronder dit bekende "Dankt, dankt nu allen God" in 1636.

Martin Rinckart, 1586 - 1649

Nun danket alle Gott
Mit Herzen, Mund und Händen,
Der grosse Dinge tut
An uns und allen Enden,
Der uns von Mutterleib
Und Kindesbeinen an
Unzählig viel zu gut
Bis hier her hat getan.

Der ewig reiche Gott
Woll uns bei unsrem Leben
Ein immer fröhlich Herz
Und edlen Frieden geben,
Und uns in seiner Gnad,
Erhalten fort und fort
Und uns aus aller Not
Erlösen hier und dort.

Lob, Ehr und Preis sei Gott,
Dem Vater und dem Sohne
Und dem, der beiden gleich
Im höchsten Himmelsthrone,
Dem einig höchsten Gott,
Als er anfänglich war
Und ist und bleiben wird
Jetzt und immerdar.


 

Dankt, dankt nu allen God
met hart en mond en handen,
die grote dingen doet
hier en in alle landen,
die ons van kindsbeen aan,
ja, van de moederschoot,
zijn vaderlijke hand
en trouwe liefde bood.

Die eeuwig rijke God
moge ons in dit leven
een vrij en vrolijk hart
en milde vrede geven
Die uit genade ons
behoudt te alle tijd
is hier en overal
een helper die bevrijdt.

Lof, eer en prijs zij God
die troont in 't licht daarboven.
Hem, Vader, Zoon en Geest
moet heel de schepping loven
Van Hem, de ene Heer,
gaf het verleden blijk,
het heden zingt zijn eer,
de toekomst is zijn rijk.