Het Vaderhuis

"Heer, waar gaat U heen?"

Het is de avond vóór de kruisiging. De Heer heeft de voeten van de discipelen gewassen, en nu bereidt Hij de elf (Judas is inmiddels vertrokken) er op voor dat Hij binnenkort niet meer bij hen zal zijn (1). Petrus (wie anders?) wil onmiddellijk weten waar de Heer naar toe gaat. Hij wil bij Zijn Heer blijven, zelfs ten koste van zijn eigen leven (2)!
Liefdevol legt de Heer Petrus twee dingen uit (3):

  1. Petrus zal zich totaal anders gedragen dan hij zelf denkt. Hij gaat niet zijn leven geven, maar zal Zijn Heer verloochenen. Zelfs drie keer achter elkaar!
  2. Petrus mag de Heer later volgen naar die heel bijzondere plaats: het Vaderhuis. Al die jaren kon de Heer hierover niets vertellen. Hij diende. Maar nu gaat Hij Zijn diepste gevoelens voor hen openbaren.

Zouden zulke discipelen zichzelf geschikt vinden om te bevatten wat de Heer wil gaan zeggen? Wanneer de meest enthousiaste discipel zoiets ergs zal gaan doen, wat kunnen de anderen dan nog van zichzelf verwachten? Zij zullen zich ongetwijfeld diep verdrietig gevoeld hebben: hun Heer gaat bij hen weg, en zij zijn in staat tot de vreselijkste dingen!
Zij is alsof zij in een diep gat vallen...

"Laat uw hart niet ontroerd worden" (4)

Zijn er anderen aan wie de Heer dit kwijt kan? En zo ja, zouden die dan beter zijn? Nee, hier moet de Heer het mee doen, met deze discipelen toen, en met ons vandaag. Aan zulke mensen wil Hij dit kostbare kwijt, want het is voor hén!
Hij troost met de woorden: "Laat uw hart niet ontroerd worden". In deze laatste nacht wil Hij zoveel mogelijk uitwijden over zaken waar Híj helemaal vol van is!
Maar daarvoor is het nodig dat zij niet met zichzelf bezig zijn, maar alleen aandacht zullen hebben voor Hem.
In het algemeen is dat ook de reden waarom vandaag zo weinig christenen zicht hebben op de Vader en het Vaderhuis. Ze hebben immers de handen vol aan zichzelf (denken ze)? En daar worden zij in het algemeen niet vrolijk van.
Hoe kan dat anders worden?

"U gelooft in God, geloof ook in Mij" (5)

De Heer zegt er direkt achteraan: "U gelooft in God, geloof ook in Mij". Dat betekent allereerst: zij moeten stoppen met het koesteren van enige verwachting van zichzelf, en vervolgens: zij moeten alles verwachten van de Heer.
Maar het betekent nog iets: zij zullen ook alles wat de Heer over de Vader en het Vaderhuis gaat vertellen hebben te accepteren. Het is de moeite waard om dat te geloven!

Dit voorbereidende werk doet de Heer vandaag nog precies zo:

  • Hij wast onze voeten met het water, het Woord van God
  • Hij richt onze aandacht af van onze tekortkomingen
  • Hij richt onze aandacht alleen op Hemzelf

en dan zijn we klaar om naar Hem te luisteren over dit bijzondere thema. Zullen we eens zorgvuldig lezen wat Hij vertelt? Het is voor jou!

"In het huis van Mijn Vader ..." (6)

De Heer spreekt niet over de hemel, want dat is in de Bijbel in het algemeen de hemel, die aan het begin van de schepping is geschapen (7).
Nee, God is eeuwig, en Hij woont dus ook in een eeuwige woonplaats (8). Daarover gaat het hier; over de woning van God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest; over de eeuwige woning van de drieënige God.
Vóórdat er iets geschapen is zijn deze goddelijke Personen er in hun woning.

Daar is alles altijd volmaakt in licht, volmaakt in liefde en volmaakt in gemeenschap. En dat zal ook altijd zo blijven, wat er ook met de geschapen hemelen en aarde is gebeurd. Satan, zonde en dood zijn nooit tot in het Vaderhuis doorgedrongen. Dat hoort allemaal tot de schepping.

In die volmaakte sfeer heeft de Heer Jezus altijd gewoond. Nu staat Hij op het punt om daarnaar terug te keren, en wel op een nieuwe manier. Hij komt er nu als Mens. Hij is vlees geworden (9), en dat zal Hij altijd blijven: God én Mens in één Persoon.

"... zijn vele woningen" (10)

Maar de Heer vertelt nog meer: "daar zijn veel woningen"!. Maar voor wie dan? Daar wonen toch maar drie Personen?
Het wordt nog wonderlijker! "Als het anders was, zou ik het u gezegd hebben" (11), voegt Hij er aan toe. Hóe anders? Anders dan wát?
Let op: de Heer heeft één keer eerder (12) gesproken over 'het huis van Mijn Vader'. Dat gaat daar natuurlijk over de tempel, maar zou het toeval zijn?
Nee, toeval bestaat niet in de Bijbel. Wanneer de Heer de tempel 'het huis van Mijn Vader' noemt, dan wil dat zeggen dat de tempelgebouwen ons helpen om iets van het Vaderhuis te begrijpen.

In het tempelhuis zijn kamers gebouwd aan de muren (13). Dat zijn de woningen voor de dienstdoende priesters (14). Het middelpunt van deze woningen vormt dus het heiligdom én het heilige der heilige met de ark, de woonplaats van God.
Wat de Heer hier zegt, is dat het met de woningen in het Vaderhuis precies zo is. Zij vormen een kring rondom het middelpunt, God Zelf.

"Ik ga heen om u plaats te bereiden" (15)

Wanneer de Heer dit zo vertelt, zouden wij ons kunnen afvragen (net als de discipelen waarschijnlijk), wie er toch in die woningen wonen. Wie zouden er nou geschikt zijn om zich in zo'n volmaakte omgeving thuis te voelen?
Het verbazingwekkende antwoord van de Heer is: "jullie".
Geen engelen, die altijd trouw Gods bevelen hebben opgevolgd, maar zondaars, die de genade van God hebben leren kennen. Zij, en zij alleen, hebben het recht om zich een kind van God te noemen. (16)
En waar voelt een kind zich thuis? Juist, in het huis van Vader!

Behalve die ene Mens, zullen er straks nog veel meer mensen wonen, namelijk allen die de Heer Jezus als Heer en Heiland hebben aangenomen. Zij zijn uit God geboren en mogen zich een kind van God noemen.

"En als Ik ben heengegaan en u plaats heb bereid ..." (17)

Ja, de Heer gaat zeker weg. Dat is niet anders, maar daar worden zij niet minder van! In tegendeel. De Heer gaat er voor zorgen dat ieder van hen zich helemaal thuis gaat voelen in exact dezelfde omgeving waar Hij Zich altijd zo thuis gevoeld heeft. Hij zegt dat voor de tweede keer. Geen twijfel mogelijk dus.

Het zal een aparte ervaring worden om straks in het Vaderhuis te wonen. We zeggen wel eens: "ik voel me als een kat in een vreemd pakhuis", wanneer we ons ergens niet op ons gemak voelen, maar dat geldt voor jou en mij straks niet. We komen dan thuis.
Ons nieuwe leven komt dan eindelijk in een omgeving die er volkomen mee in overeenstemming is. We zijn nu al uit God geboren en hebben nu dus al het eeuwige leven, maar dat leven strookt helemaal niet met de wereld om ons heen. Nu voelen we ons vaak vreemden, maar dan niet meer.

"... kom Ik weer en zal u tot Mij nemen," (18)

Die belofte geeft Hij zijn discipelen, die denken alleen achter te moeten blijven.
Inmiddels is die belofte nog steeds niet ingelost, en zo zien de kinderen van God elke dag uit naar Zijn komst (19). Er hoeft op aarde niets te gebeuren dat aan die komst voorafgaat. Hij kan elk moment komen. In de opname van de gemeente lees je meer details.
Maar Hij komt niet om weer bij hen te blijven, net als vroeger. Hij komt nu om hen mee te nemen.

Wanneer een gelovige nu ontslaapt brengen engelen hem of haar in het paradijs (20), bij de Heer. Maar als binnenkort alle kinderen van God in het Vaderhuis worden gebracht, worden daarvoor geen engelen ingeschakeld. Het is hetzelfde moment waarvan Paulus zegt: "de Heer komt Zélf" (21). Hij laat het aan niemand anders over om Zijn geliefden, Zijn vrienden, Zijn broeders thuis te halen.

"opdat ook u zult zijn waar Ik ben." (22)

Nú staat Hij op het punt om hier op aarde afscheid van hen te nemen, maar Hij verzekert hen er van dat zij elkaar weer ontmoeten. Niet voor een korte tijd, maar voor eeuwig; niet op aarde, maar in het Vaderhuis; maar het mooiste is: "waar Ik ben".
Daar zal nooit meer iets de relatie met de Heer kunnen verstoren, niets van binnen en niets van buiten. Er is niets meer waarin wij falen, want onze zondige natuur hebben we dan niet meer. Wij zijn dan volmaakt. Er is niets meer uit onze omgeving dat onze aandacht van de Heer kan afleiden, want ook die omgeving is volmaakt van eeuwigheid tot eeuwigheid.

Toch spreekt de Heer hier niet over de afwezigheid van al die negatieve elementen. Nee, Hij wil de volle aandacht erop richten dat zij (en wij) dan bij Hém zullen zijn, in de omgeving waar Hij van eeuwigheid gewoond heeft.