Wie zijn 'de geesten in gevangenschap'?

Vraag

Ik vind 1 Petrus 3 : 19 lastig te begrijpen: "in Welke Hij ook heengegaan is en gepredikt heeft tot de geesten in gevangenschap".
Wie heeft 'gepredikt'? Welke boodschap? Wie zijn 'de geesten'? Wat of waar is 'gevangenschap'?

Antwoord

Het is inderdaad niet in één oogopslag duidelijk wat Petrus precies bedoelt. Het is altijd goed om een tekst in z'n samenhang te lezen, zeker bij zo'n lastige als deze.

Het betoog in de aanloop naar vers 19

Als we proberen om het betoog van Petrus in deze verzen te volgen valt het op dat er twee begrippen zijn waar hij de nadruk op legt.
Daarover schrijft hij in 3 : 10 - 18, en opnieuw in 4 : 1 - 6.
In het tussenliggende gedeelte 3 : 19 - 22 noemt hij de ark van Noach en de doop, kennelijk als voorbeelden om zijn betoog te verduidelijken.
Deze twee begrippen zijn:

  1. de wil van God (1)
    Vanaf 1 Petrus 3 : 10 houdt Petrus zijn lezers voor dat God weliswaar regeert, en dat Hij het goede beloont en het kwade straft, maar dat Hij dat lang niet altijd ogenblikkelijk doet. Dat betekent dat een rechtvaardige soms moet lijden (2), ook al is dat bijzonder onrechtvaardig.
    Het is Gods wil dat een rechtvaardige goed doet, en dat kan lijden met zich meebrengen.
    Het is uitdrukkelijk niet Gods wil om te lijden vanwege zonden.
    Dat is 'voorbehouden' aan Christus. Het was Gods wil dat Hij (en Hij alléén!) leed en stierf voor zonden. Uiteraard niet voor Zijn eigen zonden, maar voor die van ons, de onrechtvaardigen. Zó zijn wij tot God gebracht (3).
    Zonde heeft in ons leven dan ook geen plaats meer.

  2. in het vlees (4)
    Na het lijden en sterven van Christus volgde Zijn opstanding. Hij stierf in het vlees, maar werd levend in de Geest.
    Dit enorme verschil wordt ook zichtbaar zodra iemand tot levend geloof komt, en christen wordt. Christen worden betekent niet alleen maar een innerlijke verandering, maar ook een uiterlijke.
    Het moet zichtbaar worden dat hij niet meer leeft op het terrein waar de zonde heerst, maar op het terrein waar Christus heerst.
    Zijn leven in het vlees (d.w.z. zijn leven op aarde) moet duidelijk veranderen in een leven in de Geest (5) (d.w.z. onder het gezag van de opgestane Christus).

Twee aansprekende voorbeelden (in vers 19 - 22)

Om onze overgang van het ene naar het andere gezagsgebied duidelijk te maken, gebruikt Petrus twee voorbeelden: de ark van Noach (6) en de doop (7).
Deze twee zijn elkaars tegenbeeld, d.w.z. ze lijken op elkaar omdat er nogal wat punten van overeenkomst zijn:

  • een boodschap van oordeel én van redding
  • water markeert het einde van de oude wereld
  • er is een middel om via het water gered te worden
  • na de redding is er geen weg meer terug

1) de ark van Noach

Allereerst vergelijkt Petrus de dagen van Noach met de dagen waarin zijn lezers in de verstrooiing (en dus ook christenen vandaag) zich bevinden. Let op het woordje 'ook' in vers 19.
Er blijken nogal wat punten van overeenkomst te zijn:

  1. Christus predikt door de Geest
    Christus is niet persoonlijk in de verstrooiing in Turkije geweest, hoewel Hij er wel de vrede verkondigd heeft (8). Dat doet Hij door Gods Geest, via gewone mensen als Paulus e.a.
    Evenzo predikte Christus door de Geest (9) tijdens de 120 jaar van Gods lankmoedigheid vóór de zondvloed, en wel door middel van Noach, de prediker van de gerechtigheid (10).

  2. de prediking
    Een prediking van gerechtigheid houdt in dat het oordeel onherroepelijk komt. Maar God biedt tevens de mogelijkheid tot verlossing aan. God blijft heel lang wachten, totdat uiteindelijk het aanbod van genade stopt en het oordeel volgt.

  3. ongehoorzaam
    Mensen die Gods genade niet aannemen zijn ongehoorzaam en gaan verloren, zowel in onze dagen als destijds in de dagen van Noach. De ongehoorzamen zijn toen in de zondvloed omgekomen, maar hun geesten zijn gevangen tot het definitieve oordeel (11).

  4. weinigen
    Noach predikte 120 jaar en weinigen (acht zielen) gingen de ark binnen. Buiten zijn huis niemand!
    Ook de lezers van Petrus voelen zich vreemdelingen in de verstrooiing, omdat er verhoudingsgewijs maar weinig mensen tot geloof zijn gekomen.

Er zijn dus duidelijk punten van overeenkomst tussen de dagen van Noach en de tijd van Petrus' brief, tussen de dagen van toen en en de dagen van nu. Het helpt wellicht om die twee woordjes toen en nu er in vers 19 tussen te lezen. Dan luidt de tekst:
"in welke Hij ook toen heengegaan is en gepredikt heeft tot de geesten die nu in gevangenschap zijn".

2) de doop

Vervolgens vergelijkt Petrus de ark van Noach met de doop.
Zoals de ark het huisgezin van Noach heeft behouden, zó behoudt de doop nu ook mij. En dat is een belangrijk gezichtspunt!
Velen zeggen: de doop is een soort belijdenis van wat er met mij gebeurd is. Petrus en anderen (12) zeggen: nee, door de doop gebeurt er iets met je; niet innerlijk maar uiterlijk.
Innerlijk gebeurt er iets met mij op het moment dat ik mij bekeer en mij overgeef aan Gods genade. Dan krijg ik nieuw leven en word ik een kind van God.
Uiterlijk moet ik afscheid nemen van mijn oude leven. Dat moet begraven worden. Deze (symbolische) stap zet ik in de doop. Ik word met Christus begraven en sta met Hem op (13). Zo word ik behouden op een nieuw terrein.
Lees hier meer over de doop.

Zoals Noach in de ark door het water afscheid neemt van de oude wereld, zo neem ik door de doop afscheid van mijn oude leven.
Zoals Noach uit de ark gaat en aan een nieuw leven begint, zo begin ik na de doop aan mijn leven als christen.

Vanzelfsprekende gevolgen in vers 4 : 1 - 6

Na deze voorbeelden komt Petrus vanaf 4 : 1 weer terug op het lijden in het vlees en de wil van God. Vanaf mijn doop leef ik "de overige tijd in het vlees niet meer naar de begeerten van de mensen, maar naar de wil van God" (14).
"De voorbijgegane tijd is genoeg geweest om de wil van de volken te volbrengen ..." (15).
Anders gezegd: de tijd vóór mijn bekering en doop is voltooid verleden tijd. Mijn leven erná leef ik als christen "in overeenstemming met God, in de Geest" (16).

Nog enkele details
1) behoudenis

De woorden "de doop behoudt u" betekenen niet dat ik door de doop in de hemel kom. De doop is een symbolische uiterlijke handeling met het oog op mijn aardse leven.
Dit laat zien dat het woord "behoudenis" op twee manier wordt gebruikt:

  1. behouden met het oog op de hemel.
    We maken deel uit van het gezelschap dat gezegend is met alle geestelijke zegeningen (17), die ons door genade zijn verleend (18). Dat zijn allemaal gelovigen, verzegeld met de Heilige Geest (19).
    Daar heeft de doop met water niets mee te maken.
  2. behouden met het oog op de aarde.
    We behoren tot hen die belijden dat Christus hun Heer is. De belijdenis legt men af in de doop. Dat gezelschap hoeft niet allemaal wedergeboren te zijn. Velen zijn slechts belijders zonder leven uit God.

2) de vraag van een goed geweten

Met een goed geweten kijk ik vooruit omdat ik in alles goed wil wandelen (20).
Door mij te laten dopen wil ik God recht in de ogen kijken. Ik laat zien dat ik in alles op Christus wil lijken, met alle gevolgen van lijden en verdrukking die daarbij kunnen horen.
Lees hier meer over dit punt.

3) heeft Christus na Zijn sterven gepredikt aan overledenen?

Dit lastige vers heeft tot nogal wat verschillende gedachten geleid, waaronder de suggestie dat Christus tijdens Zijn verblijf in het dodenrijk gepredikt zou hebben tot gestorven ongelovigen, om hen alsnog het evangelie van verlossing aan te bieden.
Zo'n suggestie wijzen we af als onbijbelse fantasie.
Het evangelie wordt gepredikt aan op aarde levende personen, en nooit aan gestorvenen. De keus om het evangelie aan te nemen wordt gemaakt vóórdat iemand sterft (21).
Christus ging naar het paradijs en Hij beloofde de zojuist bekeerde misdadiger om daar met Hem te zijn (22). Dat is de verblijfplaats voor de ontslapen gelovigen. Naar hén gaat Zijn hart uit.
De uitdrukking "aan doden een blijde boodschap verkondigd" (23)wijst op mensen die vóór hun bekering in Gods ogen dood zijn, evenals wij dat waren (24).