maar nu zijn uw kinderen heilig

Vraag

In 1 Korinthe 7 (1) staat, dat kinderen heilig zijn, en ook dat een ongelovige man of vrouw geheiligd is in de gelovige partner.
Er wordt wel eens gezegd dat kinderen dan vanzelf in de hemel komen, en dat het met zo'n ongelovige man of vrouw ook wel goed zit.
Maar iedereen moet zich toch bekeren? Hoe moet ik dat vers lezen?

Antwoord

Het woord 'heilig' kan wijzen op een innerlijke toestand, op een uiterlijke omstandigheid, of op allebei.
Wanneer Petrus schrijft: 'Weest heilig, want Ik ben heilig' (2), dan bedoelt hij daarmee dat onze wandel in overeenstemming moet zijn met ons nieuwe leven. Hij noemt dat 'de Goddelijke natuur' (3), het leven uit God, en dat moet zichtbaar worden.
Daar is het duidelijk dat ons uiterlijk met ons innerlijk moet kloppen.

Maar als Jozef en Maria met het kindje Jezus en een offer naar de tempel gaan, dan doen zij dat omdat de wet zegt: 'Al het eerstgeborene van het mannelijke geslacht zal heilig heten voor de Here' (4).
Dat houdt niet in dat er innerlijk met elk oudste jongetje iets bijzonders gebeurt, maar dat de Heer hen voor Zichzelf opeist, en ouders lieten dat zien door Hem een offer te brengen in de plaats van hun eerstgeboren zoontje.
Uiterlijk (formeel) was zo'n eerstgeboren zoon heilig, d.w.z. afgezonderd voor de Heer.

In 1 Korinthe 7 : 14 is een ongelovige geheiligd, maar dat dankt hij aan zijn gelovige vrouw. Op precies dezelfde manier zijn kinderen heilig, namelijk in hun gelovige ouders (of in één van hen).
Dat maakt duidelijk dat het niet gaat om iets innerlijks, want het nieuwe leven heeft iemand niet in een ander, maar in zichzelf. Bovendien gaat het uitdrukkelijk om een ongelovige, en daar is innerlijk niets mee gebeurd.

Paulus beschrijft hier het geweldige voorrecht van de huisgenoten van een gelovige.
De ongelovige partner en ook de kinderen zijn thuis op een plaats waar de Heer gediend wordt. En dat houdt een grote zegen in. Wanneer één van de ouders tot geloof komt, dan heeft de Heer altijd het hele huis op het oog. Anders gezegd: de Heer rekent in huisgezinnen. Het is Zijn nadrukkelijke bedoeling dat het hele huis tot geloof komt.
Al vanaf Noach is dat te lezen (5), net als bij Jozua (6) en bij de gevangenbewaarder in Filippi (7) (om maar een paar voorbeelden te noemen).
Uiterlijk bevindt het hele huis zich op de plaats van de zegen!

De huisgenoten van een gelovige krijgen dan ook heel wat kansen om zich te bekeren. Helaas kan het gebeuren dat de ongelovige partner zich niet bekeert, of zelfs wegloopt. Hetzelfde kan gebeuren met één of meer kinderen.
Ieder moet inderdaad zelf bewust de stap naar God zetten, en zich bekeren. Anders gaat hij/zij met alle genoten zegen toch verloren. Het geloof is geen erfgoed.
Een gelovige ouder neemt elk kind dankend en biddend aan uit de hand van God, en ziet het als een voorrecht het kind op te voeden 'in de tucht en de vermaning van de Heer' (8). Zo'n ouder mag er dan op vertrouwen dat God het kind vroeg of laat tot bekering gaat leiden.

Jaren geleden vertelde iemand me het volgende:
"Mijn moeder was een gelovige vrouw, en ze had zeven kinderen. Ze leefde haar geloof in de Heer ons voor, en bad veel voor ons. Ik ken haar als een biddende vrouw, maar geen van haar kinderen bekeerde zich. Dat was voor haar een grote zorg en een groot verdriet.
Na haar overlijden is het tot ons doorgedrongen wat voor een moeder wij hadden. Als eerste heb ik mij bekeerd, en binnen enkele maanden al mijn andere broers en zussen."

We kunnen ons afvragen, waarom de Heer het die oude moeder niet gunde om het mee te maken dat in ieder geval één van haar kinderen zich ging bekeren. Dat is niet aan ons, maar dit voorbeeld laat zien dat Gods bedoelingen ook vandaag nog steeds van kracht zijn.
Hij heeft het hele huisgezin op het oog. Laat elke gelovige ouder de verantwoordelijkheid nemen om hun kinderen op te voeden voor de Heer, en daarbij te vertrouwen dat Hij met elk tot Zijn doel komt.