Zonde tot de dood

Vraag

In 1 Johannes 5 : 16 (1) gaat het over zonde die tot de dood leidt en zonde die niet tot de dood leidt. In het laatste geval worden we aangespoord voor de persoon te bidden, in het eerste geval niet.
Ik vind het moeilijk te begrijpen.

Antwoord

Dit is inderdaad één van die lastige teksten, die op het eerste oog niet helemaal passen in de boodschap van het evangelie. Want iedereen krijgt toch vergeving?

Toch zijn er heel bijzondere situaties.
Als je het verhaal van Ananias en Saffira leest (2) , dan is dat zo'n situatie. We moeten ons daarbij bedenken dat de gemeente net is begonnen te ontstaan, in al haar smetteloze pracht. Nu was er voor het eerst iets wat niet paste in die heilige, reine omgeving: een leugen.
De gemeente (of: het koninkrijk) is het terrein waar de Heilige Geest werkt. Zeker in die beginfase was het duidelijk voor iedereen dat de Geest de leiding had. Petrus neemt het hen bijzonder kwalijk dat zij samen bedacht hebben om iets achter te houden van de opbrengst. Dat was de eerste opstand tegen de Goddelijke leiding.
Je zou het kunnen vergelijken met een eerste krasje op een nieuwe, dure auto. Dat doet pijn.

Je voelt wel aan dat die scherpe houding later enigszins is afgenomen. Anders waren veel christenen aan een leugen gestorven. Dat brengt me gelijk bij de logische vraag die daaruit voortkomt: "zijn Ananias en Saffira verloren gegaan; waren het ongelovigen?"
Naar mijn stellige overtuiging waren het wedergeboren zielen, echte kinderen van God. Het was in die begintijd zeker geen eenvoudige stap om christen te worden. Daar hing een prijskaartje aan. Alleen ze deden iets waardoor God hen op aarde niet langer kon handhaven.
Vergelijk het met Adam en Eva na het eten van de verboden vrucht (3). En ook met de twee zonen van Aaron die vreemd vuur gebruikten om te offeren (4).
Alle drie situaties schetsen de eerste zonde op het moment dat God iets moois legt in de handen van mensen.

Kan zo'n zonde nu nog voorkomen?
Het is voor ons zeker niet eenvoudig om vast te stellen of iemand een zonde tot de dood heeft gedaan. Ik denk dat wij altijd voor iemand moeten blijven bidden, tenzij God ons heel erg duidelijk heeft gemaakt dat het niet meer mag. Ik ken daarvan maar één voorbeeld.
Dat is van iemand in Amerika die wegens een gruwelijke moord in de gevangenis kwam, de doodstraf kreeg, maar in de dodencel tot bekering kwam. De broeders vroegen hem of zij zouden bidden voor gratie. Hij antwoordde heel beslist dat dat niet moest, "want wat ik gedaan heb, is zo erg dat ik aanvoel dat God mij op aarde niet kan gebruiken. Ik ga straks naar Hem toe".

Dan rest de vraag waarom Johannes dat zo schrijft.
Dit is aan het eind van zijn liefdevolle, maar toch zo waarschuwende brief. Kort daarna is het laatste vers: kinderen, wacht u voor de afgoden (5) . Ik vermoed dat hij hen wil waarschuwen dat er op het spoor van de afgodendienst, dingen kunnen gebeuren, zelfs door een broeder, die zo verschrikkelijk zijn dat zo'n broeder niet meer op aarde kan blijven leven.