Vergeving van zonden

Johannes schrijft in zijn eerste brief (1) een paar heel belangrijke punten op weg naar zondenvergeving:

  1. Ik krijg vergeving voor mijn zonden nadat ik mijn zonden heb beleden.
  2. God is rechtvaardig om ze te vergeven.
  3. Ik word dan van alle ongerechtigheid gereinigd.

We gaan ze punt voor punt bekijken.

1. zonden belijden

Als ik voor het eerst tot God kom (dus als een verloren zondaar), dan is het voor God genoeg dat ik erken dat ik als zondaar het eeuwig oordeel verdiend heb, en dus verloren ga. Dat maakt mij klein voor God en ik doe een beroep op Zijn genade(2).
Het kan zijn dat ik mij dan bepaalde zonden herinner, en vanzelfsprekend zal ik die dan ook noemen. Maar de meeste zonden ben ik allang vergeten. Gelukkig vraagt God niet dat ik me eerst alle zonden moet herinneren. Voor Hem is het genoeg dat ik kom om te erkennen dat ik een verloren zondaar ben.

Wanneer ik zondig als gelovige (dus als kind van God), dan is het niet meer een kwestie van verloren gaan, want dat probleem is opgelost toen ik de eerste keer bij God kwam. Vanaf dat moment ziet God mij niet meer als zondaar, maar als Zijn kind, en dat is een gigantisch verschil!
Ik zie Hem als mijn Vader, en ik weet dan heel goed met welke zonde ik Hem verdriet gedaan heb. Ik heb het gemerkt omdat mijn contact met Hem minder werd. Maar ik merk ook dat dat contact weer hersteld wordt op het moment dat ik mijn Vader heb beleden wat er mis gegaan is.
Een kind van God is zich in het algemeen heel goed bewust van zonden, en zal ze met naam en toenaam belijden, om ze te brengen onder het bloed van de Heer Jezus (3).

2. God vergeeft

We zouden ons kunnen voorstellen dat het voor God niet altijd eenvoudig is om zonden te vergeven, zeker niet wanneer iemand al voor de honderste keer komt, en het zelfs presteert om regelmatig in dezelfde zonde te vervallen.
God gaat er inderdaad niet van uit dat ik als gelovige zondig, maar het kan per ongeluk gebeuren (4). In het algemeen gebruikt Hij een andere gelovige om mij dat uit te leggen, zodat ik weer naar Hem terugga. Hij staat klaar om het mij te vergeven.
Het wordt iets anders wanneer ik regelmatig dezelfde zonde bega, of zelfs verslaafd raak. Dan heb ik meer hulp nodig. Daarvoor heeft de Heer mensen gegeven met een pastoraal hart, en dat kost vaak wat meer tijd.
Maar het is alleen voor míj anders, en niet voor God! Want God blijft vergeven!

Hoe kan dat?
Omdat het werk van de Heer Jezus zó groot en zó rijk is, dat God niet anders kán dan ons vergeven. Dat is Gods rechtvaardigheid (of: gerechtigheid). Hij doet daarmee recht aan het werk van Zijn Zoon op het kruis.
Daar heeft de Heer Jezus uitgeroepen: "het is volbracht" (5).
Wij kunnen de diepe inhoud van die paar woorden maar een beetje vatten, en toch heeft Hij het hier op aarde uitgesproken, hoorbaar voor iedereen. Wij moeten weten dat de waarde van Zijn bloed zó groot is, dat iedereen die komt, vergeving van zonden krijgt.

Doet God het misschien met tegenzin?
Absoluut niet! Juist daarvoor heeft Hij Zijn Zoon gegeven (6). God wil ons maken tot overwinnaars, die hier op aarde voor Hem leven, en gaan lijken op Zijn Zoon (7). Elk zonde, hoe klein ook, is daarvoor een obstakel dat Hij zo snel mogelijk wil wegnemen. Maar dat kan God alleen na belijdenis.

3. helemaal rein

We kunnen niet belijden wat we niet meer weten. Maar God ziet vergeten zonden nog wél. Hoe moet dat?
Johannes schrijft in dit prachtige vers (1) zwart op wit dat ik van alle ongerechtigheid gereinigd word, zodra ik met belijdenis bij God kom.
Dat is namelijk de werkende kracht van het bloed van de Heer Jezus (8). Wanneer God dit bloed toepast op de zonden die ik belijd, dan is de reinigende werking zo groot, dat ik helemaal rein wordt.


Uitzonderingen?

"Alles goed en wel, maar er staan toch twee situaties in de Bijbel, waar duidelijk staat dat zonde de dood tot gevolg heeft, of dat een zonde niet vergeven kan worden?".
Zijn er uitzonderingen, en worden dus niet alle zonden vergeven? Soms worstelen mensen met de vraag, of zij misschien niet zo'n erge zonde begaan hebben, en dan alsnog verloren gaan.
Is dat terecht?

- zonde tot de dood

Johannes beschrijft deze situatie (9), en maakt verschil tussen "zonde tot de dood" en "zonde niet tot de dood" . Voor die eerste categorie moeten we niet bidden. Maar waar hebben we het dan over? Is "de dood" hier hetzelfde als verloren gaan?
Johannes heeft het vanaf vers 14 over de vrijmoedigheid in het bidden, en komt hier bij één uitzondering, namelijk als hij zijn broeder ziet zondigen tot de dood. Dan heeft hij het dus over een medechristen, die kennelijk zo erg heeft gezondigd dat het voor iedereen duidelijk is dat de dood er op moet volgen.
Een voorbeeld is te lezen bij Ananias en Saffira (10). Toen zij tegen Petrus logen, was de gemeente in haar eerste, nog schone fase. Op dat moment was een openlijke leugen zó erg, dat God hen niet langer in Zijn gemeente kon handhaven.
Maar zijn zij verloren gegaan? Geen sprake van. God wilde in die beginfase duidelijk maken dat de gemeente Zijn werk is, en dat dit gedrag daarin niet past.

Later is er van alles in de gemeente binnengeslopen, en hebben "christenen" wel ergere dingen gedaan dan een openlijke leugen.
Toch komt "een zonde tot de dood" nog wel eens voor. Er zijn gevallen bekend van grote misdadigers, die de doodstraf kregen, maar in de gevangenis tot bekering kwamen. Gelovigen wilden gaan bidden voor gratie, maar zij weigerden dat omdat zij inzagen dat hun zonden zó groot waren dat zij de doodstraf verdienden. Die straf ondergingen zij, maar zij gingen wél naar de hemel.

- lastering tegen de Heilige Geest

De uitdrukking "lastering tegen de Heilige Geest" is te lezen in Mattheüs 12 (11). De Heer geneest een bezetene, die blind en stom was, door een demon uit te drijven. De schare is enthousiast, maar de farizeeën zijn woedend en verwijten Hem dat Hij dit doet door Beëlzebul, de overste van de boze geesten.
Dat is afschuwelijk omdat de Heer Zich door de Heilige Geest laat leiden. Zij verklaren daarmee dus dat de Heilige Geest en Beëlzebul identiek zouden zijn.
Die lastering is zó erg, dat de Heer tweemaal (12) duidelijk zegt dat dit nooit vergeven kan worden.

Er vallen in de uitspraken van de Heer een paar dingen op:

  • de Heer spreekt niet over zonde tegen de Geest, maar over lastering van de Geest
  • dit is het enige voorval in de evangeliën, waarin de Heer dat zegt
  • deze straf wordt verder nergens in het Nieuwe Testament herhaald.

Dat geeft te denken.
We moeten beseffen dat elke zonde in principe een zonde tegen God is en dus ook tegen de Heilige Geest. Maar elke zonde en zelfs elke lastering kan worden vergeven (zegt de Heer hier)!
Er is echter één uitzondering: de lastering van de Geest.
Dit kwaad wordt in de Bijbel beperkt tot dit ene moment waarop Zijn vijanden zien wat de Heer doet, en dan de conclusie trekken dat Hij werkt onder leiding van Beëlzebul. Dit is een regelrechte lastering van de Heilige Geest.

Als deze afschuwelijke zonde nog steeds voor kan komen, en iemand zou nog steeds het risico kunnen lopen dat hij een onvergeeflijke zonde begaat (en dus verloren gaat!), waarom waarschuwt geen enkele apostel ons, terwijl zij uitvoerig voor alle soorten van zonden waarschuwen?
De reden is: deze zonde kán nu niet meer voorkomen.
De Heer Jezus is immers niet meer op aarde? Alleen bij Hém stond ondubbelzinnig vast dat de Geest Hem leidde in alles wat Hij deed en zei.

Nu zijn er ook allerlei charismatische uitingen, maar daarvan staat niet bij voorbaat vast dat het gebeurt door de Heilige Geest. Het is zelfs onze plicht om te onderzoeken of het van God komt of uit een andere bron(13). Het zou van Johannes levensgevaarlijk zijn om ons iets op te dragen met het risico dat we een onvergeeflijke zonde zouden kunnen begaan.

Daarom mag onze conclusie zijn:
lastering van de Geest kan niet meer voorkomen, en dús kan elke zonde vergeven worden. Ieder kan volkomen gerechtvaardigd worden!