1 Petrus

Inleiding

Petrus is waarschijnlijk de bekendste van de twaalf discipelen, iemand met het hart op de tong. Zijn hoogte- en dieptepunten worden in de vier evangeliën uitvoerig beschreven, maar ook de reacties van de Heer Jezus daarop. Tussen beiden is een bijzondere band ontstaan.

Petrus erkent volmondig: “U bent de Christus, de Zoon van de levende God”, maar hij kan niet accepteren dat de Heer eerst gedood moet worden voordat Hij kan regeren1. Toch krijgt hij zijn verheerlijkte Heer even op de berg te zien2.
Het laatste gesprek vindt plaats na Zijn opstanding3. De Heer vraagt drie keer aan Petrus: “Simon, zoon van Johannes, heb je mij lief?”, een verwijzing naar de drie keer dat Petrus Hem verloochende. Deze zonde was in een persoonlijk gesprek al vergeven (Lukas 24:34), maar nu zien ook de andere discipelen dat a) Petrus tot inkeer is gekomen en b) de Heer hem tot herder van de kudde aanstelt. De Heer ziet in Petrus iemand met veel liefde voor lammeren en schapen, voor jong en oud. Hij is zelfs bereid om daarvoor de hoogste prijs te betalen: de martelaarsdood. Petrus is een echte herder geworden, net als zijn Heer!

We komen Petrus in Handelingen dan ook tegen als een onverschrokken leider. Als het werk zich uitbreidt richt Petrus zich voornamelijk tot de Joden en Paulus tot de heidenen4.

Petrus schrijft twee brieven, zoals een herder die alleen maar kan schrijven: om te verzorgen en om te waarschuwen. Hij rept met geen woord over de fouten die hij maakte. Die zijn vergeven! De enige gebeurtenis waarover hij schrijft is de verheerlijking op de berg5. Zó zal Christus straks verschijnen! Dat moeten de lezers goed vasthouden. En tot dat moment? God heeft alles onder controle.
De eerste brief: God gebruikt beproevingen om ons te louteren, zodat we steeds meer gaan lijken op de Heer Jezus; Hij is ons voorbeeld.
De tweede brief: onze rijkdom in Christus moeten we goed vasthouden, ook al blijft Zijn komst uit. Dat is geen traagheid maar genade, omdat God niet wil dat iemand verloren gaat.

groet (1 Petrus 1: 1)

Beide brieven zijn gericht aan Joodse gelovigen in delen van Turkije. Zij zijn “vreemdelingen”, d.w.z. op een vreemde plaats, ver van het eigen volk. Dat waren zij al als Joden (ver van Jeruzalem), maar als christen zijn ze nu ook nog vervreemd van Joodse volksgenoten in hun omgeving6. Het verschil tussen het Joodse volk en hen is groot geworden:

  1. Joden zijn uitverkoren door Jehova, zij door de Vader
  2. Joden zijn geheiligd door de wet en een eigen priesterdienst, zij door de Heilige Geest
  3. Joden zijn besprenkeld door het bloed van kalveren, zij door het bloed van Christus7
Daarmee neemt Petrus zijn lezers bij de hand en brengt hen bij die ene kudde bestaande uit gelovigen uit Joden en heidenen, waarvan de Heer Jezus die ene Herder is8.

voorrechten (1 Petrus 1: 2 - 6)

Die gelovigen hebben geweldige voorrechten.

  1. Uitverkiezing
    Uitverkiezing is een keuze van personen of plaatsen boven anderen. Die personen kunnen engelen9 of mensen zijn. Zo verkiest de Heer Jezus de twaalven, dus inclusief Judas10, om met Hem mee te mogen gaan, en verkiest God Israël boven de andere volken11 en Jeruzalem boven de andere steden12. Daarover hoeft God geen verantwoording af te leggen. Dit is Zijn eigenmachtig besluit.
    Elke gelovige mag weten uitverkoren te zijn. Het is dan ook een prachtige boodschap voor gelovigen, maar die is niet bestemd voor ongelovigen. Voor hén geldt alleen dat zij zich moeten bekeren. Als iemand verloren gaat kan hij nooit zeggen dat hij niet uitverkoren was, maar alleen dat hij Gods genade heeft afgewezen.
  2. Wedergeboorte
    Als we de Heer Jezus aannemen ontvangen we van God het eeuwige leven. Dat is de wedergeboorte. We zijn uit Hem geboren en een kind van God geworden.13 Dan leren we Hem als Vader kennen.
  3. Erfenis
    Kinderen zijn ook erfgenamen. Wat is onze erfenis?
    Paulus legt uit dat wij straks met de Heer Jezus in heerlijkheid zullen verschijnen. Dan zal alles aan Zijn voeten onderworpen zijn, behalve wij, de gemeente. Wij zullen één zijn met Hem14. Als onderpand hebben we de Heilige Geest gekregen15. Zó zeker is die erfenis.
    Petrus verzekert ons dat wij die erfenis niet kunnen verspelen, zoals dat vroeger wél gebeurde. Adam kreeg de aarde toevertrouwd, maar die erfenis bleek vergankelijk te zijn, door zijn zonde. Noach kreeg een gereinigde aarde toevertrouwd, maar die bleek bevlekt te kunnen worden, door zijn zonde. Israël kreeg het beloofde land, maar dat bleek te kunnen verwelken, door hun zonde. Nee, onze erfenis wordt in de hemel bewaard. Wij zullen die ongeschonden ontvangen en bewaren, samen met de Heer Jezus. Daar kijkt God naar uit.

niet zien, toch geloven (1 Petrus 1: 7 - 8)

Wij kijken ook uit naar het moment waarop de Heer Jezus gaat regeren. Wij verheugen ons er zelfs in. Aanvankelijk misschien nog niet zo veel, maar ons geloof wordt sterker door allerlei verzoekingen die God in ons leven toelaat.
Petrus is zo iemand geworden. Het is voor hem heel vanzelfsprekend dat hij rustig ligt te slapen in de wetenschap dat hij de volgende dag kan worden gedood, evenals Jakobus16. Zulke gelouterde gelovigen zijn een sieraad bij de verschijning van de Heer Jezus. Zij zullen perfect bij Hem passen.

Dat wordt straks zichtbaar, maar nu hebben die louteringen ook al effect. Zij verdiepen onze relatie met de Heer Jezus. Wij zien Hem nog niet, maar wij geloven in Hem. Wij hebben Hem lief. Het gaat er niet om dat wij die liefde elk moment voelen. Petrus voelt zich juist heel zwak als hij de Heer drie keer moet antwoorden. Zó zwak dat hij eraan toevoegt: “Heer, U weet alle dingen, U weet dat ik U liefheb”17. Ook al was zijn verloochening afschuwelijk, de Heer die alles weet, weet ook dat Petrus Hem van harte liefheeft. Een leven zonder de Heer Jezus is voor Petrus ondenkbaar.

Dat geldt ook voor zijn lezers in Turkije en voor ons, terwijl zij en wij de Heer nog nooit echt gezien hebben18. Petrus is een herder, die uit ervaring kan schrijven zonder op zichzelf te wijzen. Hij brengt elk lam of schaap bij de Heer Jezus. Zulke herderlijke zorg is van enorm belang, ook vandaag.

(Dit verscheen eerder als artikel in het Zoeklicht)

Meelezen

1
Mattheüs 16: 15 - 21
2
Mattheüs 17: 1 - 8
3
Johannes 21: 15 - 19
4
Galaten 2: 7
zij zagen dat aan mij het evangelie​ onder de onbesnedenen toevertrouwd was, zoals aan ​Petrus​ dat onder de besnedenen.
5
2 Petrus 1: 17
Want Hij heeft van God de Vader eer en heerlijkheid ontvangen, toen een stem als deze van de verheven heerlijkheid tot Hem kwam: Dit is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb.
6
1 Petrus 1: 1
Petrus, een ​apostel​ van ​Jezus​ ​Christus, aan de ​vreemdelingen​ in de verstrooiing in Pontus, Galatië, Kappadocië, Asia en Bithynië
7
1 Petrus 1: 2
uitverkoren overeenkomstig de voorkennis van God de Vader, door de ​heiliging​ van de Geest, tot gehoorzaamheid en besprenkeling met het bloed van ​Jezus​ ​Christus: moge ​genade​ en ​vrede​ voor u vermeerderd worden.
8
Johannes 10: 16
Ik heb nog andere schapen, die niet van deze ​schaapskooi​ zijn; ook die moet Ik binnenbrengen, en zij zullen Mijn stem horen en het zal worden één kudde en één Herder.
9
1 Timotheüs 5: 21
Ik betuig voor God en de Heere ​Jezus​ ​Christus​ en de ​uitverkoren​ ​engelen
10
Johannes 6: 70
Heb Ik niet u, de twaalf, uiteverkoren? En één van u is een ​duivel.
11
Deuteronomium 7: 6
Want gij zijt een volk, dat de Here, uw God, ​heilig​ is; ú heeft de Here, uw God, uit alle volken op de aardbodem uitverkoren om zijn eigen volk te zijn.
12
Deuteronomium 16: 6
Maar op de plaats die de HEERE, uw God, zal ​uitkiezen​ om Zijn Naam daar te laten wonen,
13
Johannes 1: 12
Allen die Hem hebben aangenomen, hun gaf Hij het recht kinderen van God te worden
14
Efeze 1: 22
Hij heeft alles aan Zijn voeten onderworpen, en Hem als hoofd over alles gegeven aan de gemeente
15
Efeze 1: 14
16
Handelingen 12
17
Johannes 21: 17
18
Johannes 20: 29
Gelukkig zij die niet gezien en toch geloofd hebben.