Jakobus

Jakobus, de broer van de Heer Jezus, is lange tijd één van de leidende broeders geweest in de gemeente in Jeruzalem. We weten niet of hij veel buiten Jeruzalem is geweest, maar hij schrijft deze brief aan "de twaalf stammen in de verstrooiing"1. Hij richt zich dus tot een Joods publiek dat zich grotendeels buiten Judea en Galilea bevindt.

Dat Joodse publiek bestaat uit christenen, die kennelijk nog sterk verbonden zijn met de Joodse traditie. Jakobus schrijft over de synagoge2, de wet3 en Joodse gebruiken4.
Wat is vandaag het nut van deze brief, met name voor de niet-Joodse christenen?

Het zal hopelijk duidelijk worden dat het een belangrijke brief is voor elke christen, omdat Jakobus zo heerlijk simpel schrijft over allerlei praktische zaken.
Bovendien schrijft hij niet zomaar over de wet, maar over "de koninklijke wet"5 en "de wet van de vrijheid"6. Wat betekent dat?
Ook onderstreept hij het grote belang van werken. Hij zegt zelfs dat "een mens gerechtvaardigd wordt op grond van werken"7. Is dat niet in tegenspraak met het betoog van Paulus, die immers uitlegt dat iemand alleen gerechtvaardigd wordt op grond van geloof en niet op grond van werken?8

Deze en vele andere boeiende vragen willen we in deze uitvoerige bespreking onder ogen zien.
De gedetailleerde index wordt zichtbaar door hierboven op de knop 'Inleiding' te klikken.

Meelezen

1 Jakobus 1: 1
Jakobus, slaaf van God en van de Heere ​Jezus​ ​Christus, aan de ​twaalf stammen​ die in de verstrooiing zijn: gegroet!

2 Jakobus 2: 2
Als er in uw synagoge een man binnenkomt met een gouden ring

3 Jakobus 2: 10
Wie de hele wet in acht neemt, maar op één punt struikelt, die is schuldig geworden aan alle geboden.

4 Jakobus 5: 14
... en hem met olie zalven in de naam van de Heer.

5 Jakobus 2: 8
Als u echter de koninklijke wet volbrengt, volgens de Schrift: U zult uw naaste ​liefhebben​ als uzelf, dan handelt u goed.

6 Jakobus 2: 12
Spreekt zó en doet zó als zij die door de wet van de vrijheid beoordeeld worden

7 Jakobus 2: 24
U ziet dus nu dat een mens uit werken gerechtvaardigd wordt en niet alleen uit geloof.

8 Romeinen 3: 28
Wij stellen vast dat een mens gerechtvaardigd wordt door geloof, zonder werken van de wet.