Doop en besnijdenis

Is de doop in de plaats van de besnijdenis gekomen?

De stelling, dat de doop als teken van het nieuwe verbond in de plaats gekomen is van de besnijdenis, het teken van het oude verbond, is te vinden in Zondag 27 van de Heidelbergse Catechismus.
Het antwoord op vraag 74: 'Moeten ook de kleine kinderen gedoopt worden?', luidt daar:

'Ja, want de kleine kinderen horen evengoed als de volwassenen bij Gods verbond en bij zijn gemeente (a). Ook worden aan hen evenals aan de volwassenen, door het bloed van Christus, de verlossing van de zonden en de Heilige Geest, die het geloof werkt, beloofd (b). Daarom moeten zij door de doop, als teken van het verbond, bij de christelijke kerk ingelijfd en van de kinderen van de ongelovigen onderscheiden worden (c). In het oude verbond gebeurde dat door de besnijdenis (d); in het nieuwe verbond is in plaats daarvan de doop ingesteld (e).
(a): Gen. 17: 71; (b): Ps 22: 112, Jes. 44: 1,2,33, Matth. 19: 144, Hand. 2: 395; (c): Hand. 10: 476; (d): Gen. 17: 147; (e): Kol. 2: 11, 12, 138.

En artikel 34 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt dat men de kinderen behoort te dopen en

'met het teken van het verbond te verzegelen, evenals de kleine kinderen in Israël besneden werden op grond van dezelfde beloften die aan onze kinderen gedaan zijn...Bovendien doet de doop aan onze kinderen hetzelfde wat de besnijdenis deed aan het joodse volk. Daarom noemt de apostel Paulus de doop: de besnijdenis van Christus' (Kol. 2: 11)8.

Met andere woorden wordt hier dezelfde leer naar voren gebracht.
Het duidelijkst is wel het 'Formulier voor de bediening van de Heilige Doop aan de kinderen van de gelovigen'. De betreffende passage luidt:

'Hoewel onze kinderen dit alles niet begrijpen, mogen wij hen daarom toch niet van de doop uitsluiten. Want evenals zij zonder het te weten deel hebben aan de veroordeling in Adam, zo worden zij ook zonder het te weten in Christus uit genade tot Gods kinderen aangenomen. Immers, wat God zegt tot Abraham, de vader van alle gelovigen, geldt ook voor ons en onze kinderen: 'Ik zal mijn verbond oprichten tussen Mij en u en uw nageslacht in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u en uw nageslacht tot een God te zijn' (a). Dit verkondigt ook Petrus: Want voor u is de belofte en voor uw kinderen en voor allen, die verre zijn, zovelen als de Here, onze God, ertoe roepen zal'(b). Daarom heeft God onder het oude verbond bevolen de kinderen te besnijden: deze besnijdenis was een zegel van het verbond en van de gerechtigheid van het geloof. En Christus zelf heeft kinderen omhelsd, de handen opgelegd en gezegend (c). Omdat nu, onder het nieuwe verbond, de doop in de plaats van de besnijdenis gekomen is, moeten de jonge kinderen als erfgenamen van Gods rijk en van zijn verbond gedoopt zijn. En de ouders zijn verplicht hun kinderen bij het opgroeien hun doop te leren verstaan.
(a) Gen. 17: 71; (b) Hand. 2: 395; (c) Mark. 10: 169.

Kenmerkend is het verschil met het 'Formulier voor de bediening van de heilige doop aan volwassenen'. Daarin staat de zinsnede:

'Nu worden de kinderen van christenen krachtens het verbond gedoopt, zonder dat zij er iets van begrijpen. Maar volwassenen mogen pas gedoopt worden, waneer zij met berouw en bekering hun zonden erkend en hun geloof in Christus beleden hebben' (cursivering van ons).

Het is duidelijk dat deze verklaringen in diepe ernst zijn opgesteld. Ernst en zelfs innige overtuiging zijn echter op zichzelf nog geen garantie voor juistheid.
En hoewel we weten hier een voor velen 'teer punt' aan te raken, willen we toch ten behoeve van hen, die worstelen met het probleem van de doop, onze kritiek op deze verklaringen naar voren brengen.


Eén doop ... twee formulieren

Ten eerste valt het op, dat er twee formulieren zijn om de doop te bedienen. Eén doop10 en dan twee formulieren...dat is op zijn minst een vreemde zaak. Een gezonde dosis wantrouwen is hier toch wel op zijn plaats. Mensen, zelfs de vroomste, zijn immers feilbaar.
En hoe kan het gebruik van twee formulieren anders verklaard worden dan uit het feit, dat men indirekt voor de doop van kinderen een andere grond aanvoert dan voor de doop van volwassenen? Men beroept zich in beide gevallen weliswaar op het verbond, waarvan de doop het teken zou zijn, maar het verschil blijkt duidelijk uit de twee formulieren. De kinderen worden namelijk gedoopt omdat ze door geboorte uit christelijke ouders in het verbond zouden zijn opgenomen. De volwassenen kent men echter een plaats toe in het verbond op grond van hun boetvaardigheid en geloof in Christus, waarbij de doop een betuiging en verzegeling is, dat God met hen Zijn verbond opricht. Anders gezegd: de volwassenen hebben recht op het verbond en doop op grond van geloof, de kinderen echter op grond van geboorte.
Bezien we dit nu in het licht van Joh. 1: 12 en 1311, dan heeft het doopformulier toch op zijn zachtst gezegd de schijn tegen. Dat geboorte uit christelijke ouders en opgroeien in een christelijk gezin een voorrecht is laat zich duidelijk uit de bijbel aantonen en wordt door de praktijk bevestigd. Dat de natuurlijke geboorte het kind echter in een bepaalde levensverbinding met God brengt, is met bovengeciteerde tekst echter duidelijk in strijd. Nu ziet men de verbondsverhouding niet zonder meer als een levensverbinding, maar het komt er gevaarlijk dicht bij want ten opzichte van kinderen die jong sterven, pleit men toch wel degelijk op het verbond, wat hun eeuwig heil betreft.
En zo heeft men twee doopformulieren opgesteld, één voor 'bekeerlingen' en één voor 'borelingen'.


Betoog

Wanneer we de argumentatie, die in deze belijdenisgeschriften en formulieren gevoerd wordt op de keper beschouwen dan blijkt de stelling, dat de doop in de plaats van de besnijdenis is gekomen niet zo zeer te berusten op direkt tekstmateriaal als wel op een betoog. Dit betoog komt hier op neer:

  1. God heeft met Abraham een verbond gesloten
  2. Gelovigen zijn kinderen van Abraham (de vader van de gelovigen)
  3. Dus geldt het verbond de gelovigen en hun kinderen
  4. Het oude verbond had als teken de besnijdenis, in het nieuwe testament is er sprake van de doop, deze is dus in de plaats van de besnijdenis gekomen
  5. De kinderen van de gelovigen behoren dan ook gedoopt te worden.

Dit betoog wordt vervolgens zijdelings gesteund door een aantal teksten.
We willen die straks stuk voor stuk onderzoeken; nu houden we ons eerst met het betoog zelf bezig. We zullen zien, dat daarbij tweemaal een gedachtensprong gemaakt wordt. We geven ons kommentaar puntsgewijs:

ad. a.
God heeft Abraham een belofte van zegen gegeven, die zich via hem uitstrekt tot alle volken: 'Met u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegdend worden' (Gen. 12: 3). Het verbond met Abraham, waarvan de besnijdenis het teken is, vermeldt deze belofte niet en heeft blijkens Gen. 17: 612te maken met het letterlijk nageslacht van Abraham, (waaronder zelfs koningen zullen zijn) en blijkens Gen. 17: 813 met het land Kanaän.
Wil men dit verbond dus op ons overbrengen dan zal er vergeestelijkt moeten worden. En hier zit het grote knelpunt, want dit vergeestelijken, zo het al geoorloofd is, gebeurt zeer inkonsekwent.

ad. b.
Wanneer men zingt in Psalm 105: 'het verbond met Abraham zijn vrind, bevestigt Hij van kind tot kind', - en daarbij denkt men aan de gelovigen van nu, dan vergeestelijkt men de betrekking: vader-kind.
Nu is er grond voor deze vergeestelijking, want in het Nieuwe Testament worden de gelovigen 'zonen van Abraham' en 'Abrahams zaad' genoemd. Dit gebeurt in Gal. 3: 7 en 2914. Maar Paulus brengt dat in Gal. 3 niet in verband met het verbond van Gen. 17, maar met de belofte 'In u zullen al de volken gezegend worden' (Gal. 3: 8). Hij zegt niet, dat het verbond van Abraham in Christus Jezus tot de volken zou komen, maar de 'zegen van Abraham' (vers 14)15. Met andere woorden: Paulus vergeestelijkt het verbond niet. Dit is te sprekender waar het in de brief aan de Galaten juist om de kwestie van de besnijdenis gaat. De christenen uit de Joden wilden, dat de christenen uit de heidenen zich lieten besnijden. Als nu de doop in de plaat van de besnijdenis zou zijn gekomen dan is het volkomen onverklaarbaar, dat Paulus dat in deze in brief in verband met ons zoonschap uit Abraham niet naar voren brengt.

ad. c.
Als we ondanks het onder b opgemerkte toch het verbond van Gen. 17 gaan vergeestelijken, dan zullen we konsekwent moeten zijn. De gelovigen uit de heidenen komt dan dat 'vergeestelijkte verbond' toe omdat ze door het geloof kinderen van Abraham zijn, geestelijke kinderen van Abraham dus. Wat doen nu echter de opstellers van de belijdenisgeschriften? Wel, zij plaatsen de natuurlijke kinderen van de geestelijke zonen van Abraham eveneens in dat vergeestelijkte verbond.
Dat is de eerste inkonstekwentie in het betoog.
Men verlaat de lijn van het geloof en springt over op de lijn van de natuurlijke geboorte!!

ad. d.
Wanneer het verbond van Gen. 17 vergeestelijkt wordt (je zou dan het begrip verbond ook moeten vergeestelijken, dat laten we echter maar buiten beschouwing), moet het verbondsteken - de besnijdenis - uiteraard ook vergeestelijkt worden. Hier stuiten we op de tweede inkonsekwentie, die even fataal voor het betoog is als de eerste. Men stelt namelijk in de plaats van de besnijdenis, die een handeling is, die aan het lichaam voltrokken wordt, niet een geestelijk teken, een geestelijke werkelijkheid, maar een andere lichamelijke handeling. Het verbondsteken wordt dus niet vergeestelijkt. En dit spreekt weer te meer als we bedenken dat de Schrift het wel degelijk over een geestelijke besnijdenis heeft. Daarover straks meer.

ad. e.
Deze konklusie mist dus in dit betoog elke grond.

Aan het bovenstaande kan nog een argument toegevoegd worden, namelijk dat de eerste christenen doop en besnijdenis rustig naast elkaar hebben laten bestaan. Besneden Joden werden gedoopt en een gedoopte halfjood, Timotheüs, werd besneden. Deze handelwijze is onverklaarbaar als de doop de plaats van de besnijdenis zou hebben ingenomen.


De betekenis van de besnijdenis

Met deze kritiek willen we niet beweren, dat de besnijdenis ons niets te vertellen heeft. Integendeel, zowel door de handeling zelf als door de omstandigheden waaronder de instelling ervan plaats vond, wordt ons een rijke les gegeven. Deze kan als volgt worden geformuleerd:

  1. Abraham ontving dit teken toen hij 99 jaar oud was, toen alle menselijke middelen hadden gefaald (Hagar-Ismaël) en er menselijkerwijze geen hoop meer bestond om leven te verwekken (Rom. 4: 19)16. Zo kan God met ons als natuurlijke mensen niets beginnen. We zijn als zondaars niet in staat 'leven' te verwekken. We moeten erkennen 'dood' te zijn in onze 'overtredingen en zonden' (Ef. 2: 1)17.
  2. Het teken bestond niet in het aanbrengen van een merk op hand, arm, voet of iets dergelijks, maar uit het wegsnijden van vlees van het voortplantingslid dat als onrein aangemerkt werd. Zo is onze oude mens, onze zondige natuur ofwel ons vlees, onrein voor God en er was maar één oplossing: het mes er in. De zonde in het vlees moest geoordeeld en dat is gebeurd op het kruis (Rom. 8: 318; 2 Kor. 5: 2119).
  3. Bij het nageslacht van Abraham werd de besnijdenis voltrokken op de achtste dag. Dat spreekt van een nieuw begin; de achtste dag is de eerste van een nieuw zevental. Zo knapt God onze oude mens niet op, maar veroordeelt hem en wekt wedergeboorte in het hart van de dode zondaar. Van zo iemand geldt dan: 'Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping: het oude is voorbij gegaan, zie het nieuwe is gekomen' (2 Kor. 5: 17).
  4. Wat de besnijdenis voorstelt is, van Gods kant gezien, vervuld op het kruis. Daar is de zonde in het vlees geoordeeld. De Schrift noemt dat, zoals we zullen zien 'de besnijdenis van Christus'. Christus werd op het kruis tot zonde gemaakt en het mes van Gods oordeel deed daar zijn werk. Ieder, die tot bekering komt en tot geloof in Christus, erkent dat het oordeel op het kruis zijn eigen oordeel is: 'In uw kruisdood, Heer en Heiland, slaan we ons eigen oordeel ga'. Zo iemand veroordeelt zichzelf, zijn hart en al het boze dat er in leeft. Dat noemt de Schrift de besnijdenis van het hart, en dat is onze kant van de zaak.


Besnijdenis van het hart

We willen het onder 4 gestelde met Schriftbewijs gronden en beginnen met de besnijdenis van het hart. Daar is in de eerste plaats de belangrijke uitspraak van Rom. 2: 28 en 29:

'Want niet hij is een Jood, die het uiterlijk is, en niet dat is de besnijdenis, wat uiterlijk, aan het vlees geschiedt, maar hij is een Jood, die het in het verborgene is, en de ware besnijdenis is die van het hart, naar de Geest, niet naar de letter'.

De letterlijke, natuurlijke handeling van de besnijdenis wijst niet heen naar de doop, maar naar deze besnijdenis van het hart. Er is dus in het Nieuwe Testament sprake van een geestelijke besnijdenis. Zij, die de doop in de plaats van de besnijdenis stellen gaan dan ook van het geestelijke terug naar het natuurlijke en dat is een uiting van Judaïsme.
Deze geestelijke zin van de besnijdenis laat zich al uit het Oude Testament afleiden. In Deut. 10: 16 staat immers: 'Besnijdt dan de voorhuid van uw hart' en wat de toekomstige bekering van het volk betreft, lezen we in Deut. 30: 6: 'En de Here, uw God, zal uw hart en het hart van uw nakroost besnijden, zodat ge de Here uw God liefhebt met geheel uw hart en met geheel uw ziel, opdat gij leeft'.

In tegenstelling tot hen, die letterlijk besneden zijn, zegt Paulus van de gelovigen:

'Want wij zijn de besnijdenis, die door de Geest Gods Hem dienen, die in Christus Jezus roemen en niet op het vlees vertrouwen'
(Fil. 3: 3).

Er staat niet: 'Wij zijn de besnijdenis die gedoopt zijn'; maar 'die niet op het vlees vertrouwen'. Paulus denkt hier dus aan de gelovigen als aan geestelijk besnedenen.


De besnijdenis van Christus

De uitdrukking 'de besnijdenis van Christus' komt voor in Kol. 2: 11. Deze schriftplaats is van veel belang omdat die in de Heidelbergse Cathechismus als een rechtstreekse bewijstekst wordt aangevoerd. Wanneer we hem echter in zijn verband lezen, blijkt dat deze tekst de gewraakte stelling niet steunt, maar weerspreekt. Kol. 2: 10-13 luidt aldus:

'En gij hebt de volheid verkregen in Hem, die het hoofd is van alle overheid en macht. In Hem zijt gij ook met een besnijdenis, die geen werk van mensenhanden is, besneden door het afleggen van het lichaam des vlezes, in de besnijdenis van Christus, daar gij met Hem begraven zijt in de doop. In Hem zijt gij ook mede opgewekt door het geloof aan de werking Gods, die Hem uit de doden heeft opgewekt. Ook u heeft Hij, hoewel gij dood waart door uw overtredingen en onbesnedenheid naar het vlees, levend gemaakt met Hem'.

Dit gedeelte begint met te stellen dat we tot volheid gebracht zijn. Van verloren zondaars zijn we gemaakt tot kinderen van God, en in Christus in een positie van volmaaktheid voor God gebracht. God ziet ons nu in Christus aan, zonder dat ons iets ontbreekt. Dit wordt uitgewerkt in vier punten:

  • want we zijn besneden in Christus
  • daar we begraven zijn in de doop met Christus
  • omdat we opgewekt zijn met Christus
  • en levend gemaakt met Christus.


Besneden met Christus

Let wel, er staat niet: 'besneden zijn in de doop', of iets dergelijks, maar besneden in of met Christus. In Hem is het oordeel aan ons, zondaars, voltrokken. Vervolgens wordt er gezegd, dat deze besnijdenis niet met handen is verricht. Daar kan dus onmogelijk de doop mee bedoeld zijn, want die is wel het werk van mensenhanden. Hier wordt dan ook elke gedachte, dat de ene uitwendige handeling (besnijdenis) zou zijn vervangen door de andere uitwendige (doop) de pas afgesneden.


Waaruit bestaat dit besneden zijn?

Vervolgens wordt duidelijk aangegeven wat de besnijdenis van Christus inhoudt, nl. het afleggen van het lichaam van het vlees. Er zijn een paar teksten, die deze moeilijke uitdrukking verduidelijken, zoals Rom. 8: 3:

'Want wat de wet niet vermocht, omdat zij zwak was door het vlees - God heeft door Zijn eigen Zoon te zenden in een vlees aan dat van de zonde gelijk, en wel om de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees'.

God heeft dus de zonde als macht in Christus geoordeeld. Met onze oude natuur, het vlees, heeft God op het kruis afgerekend. We vinden dat ook in Rom. 6: 6:

'Dit weten wij immers, dat onze oude mens medegekruisigd is, opdat aan het lichaam der zonde zijn kracht zou ontnomen worden en wij niet langer slaven der zonde zouden zijn'.

Dit oordeel over onze oude mens is op het kruis voltrokken aan Christus en dat wordt hier de besnijdenis van Christus genoemd.
Het is natuurlijk dwaasheid hier te denken aan de besnijdenis van het kind Jezus op de achtste dag (Luk. 2: 21)20, het gaat om het oordeel over Christus toen Hij voor ons 'tot zonde werd gemaakt' (2 Kor. 5: 21)19. Dit oordeel van God over de oude mens passen we op onszelf toe bij de bekering. We veroordelen onze oude mens en keren ons vroegere leven ook praktisch de rug toe. Dat wordt eveneens 'het afleggen van de oude mens' genoemd (Ef. 4: 2221; Kol. 3: 922), maar dan gezien als een daad van ons.


Dan volgt de doop

We zijn voleindigd in Christus. Geestelijk gezien zijn we daartoe de weg gevolgd, die Christus gegaan is. Christus werd besneden op het kruis...wij ook. Christus werd begraven...wij ook. Want we zijn met Hem begraven in de doop. Nogmaals, er staat niet: 'besneden in de doop', maar 'begraven in de doop'. De doop is niet in de plaats van de besnijdenis gekomen, maar volgt op de besnijdenis. Mensen die in Christus besneden zijn, zijn gekruisigd met Hem. Ze zijn gestorven en moeten begraven worden. Van dat laatste spreekt de doop (vgl. Rom. 6: 423).


Mede opgewekt en mede levend gemaakt

Tenslotte komen dan nog twee belangrijke uitspraken, namelijk dat we mede-opgewekt en mede-levend gemaakt zijn met Christus. De besnijdenis en het begraven worden was nodig voor wat onze oude mens betreft, maar het wegdoen van het oude is alleen maar een negatieve zaak.
Willen we volmaakt zijn, dan moet er wat positiefs tegenover staan. Tegenover het liggen in de dood, het geestelijke graf, moet een opwekking staan en tegenover dood-zijn door de kruisiging van de oude mens moet het ontvangen van leven staan, willen we voleindigd zijn. Welnu, we zijn mede-opgwekt met Christus en mede-levend gemaakt met Hem.

Als we dit gedeelte zo beschouwen, is het dan niet iets geweldigs wat ons hier wordt meegedeeld? Jazeker, en in Kol. 3: 1-424 voegt God er zelfs nog wat aan toe. Dat nieuwe leven dat we bezitten is nu nog niet voor menselijke ogen zichtbaar. Christus wordt straks opgenbaar in heerlijkheid en dan...? Luister:

'Wanneer Christus, ons leven, zal geopenbaard worden, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid'.

In alles is dus de gelovige identiek gemaakt met Christus:

  • identiek in de besnijdenis
  • identiek in de begrafenis
  • identiek in de opwekking
  • identiek in het levend-gemaakt-zijn
  • identiek in het nog-verborgen-zijn
  • identiek in het openbaar-worden in heerlijkheid.

Wat doet men dan toch geweldig tekort aan de grootheid van deze openbaring als de doop gezien wordt als een verbondsteken, waarmee onlosmakelijk verbonden wordt de idee van verbondszegen en ... verbondswraak.


Het verdere tekstmateriaal

Tenslotte willen we nog kort ingaan op de andere teksten die in de belijdenisgeschriften en het doopformulier worden genoemd en nagaan of ze inderdaad steun geven aan de stellingen waarbij de worden vermeld.

  • Gen. 17: 71: Als men dit verbond wil gaan overbrengen op onze tijd, dan geldt het alleen maar het geestelijk nageslacht van Abraham, en niet de natuurlijke kinderen daarvan.
  • Matth. 19: 1425; Mark 10: 169: God wil in het bijzonder kinderen het heil schenken, maar deze teksten zeggen niets over doop of besnijdenis. 'Aan moeders hand tot Jezus' is noch het één, nog van het ander afhankelijk. En als de gebeurtenis vermeld in Mark. 10: 13-16 iets bewijst dan is het wel dit: dat de discipelen niet gewend waren kinderen te dopen met de 'doop tot bekering'. Anders hadden ze hen, die de kinderen brachten beslist niet zo onheus bejegend.
  • Luk. 1: 1526: Op grond van deze tekst kan men niet stellen, dat de Heilige Geest aan kinderen wordt toegezegd. Het gaat hier om een bijzonder geval. Johannes de Doper werd door God uitverkoren om een nazireeër te zijn van de moederschoot af.
  • Ps. 22: 112: Dat is een Messiaanse psalm, waarin profetisch gezien de Here Jezus spreekt. Dus eveneens een unieke zaak.
  • Jes. 44: 1-33: Israël is een volk, dat door God geformeerd is en door God als zijn volk is verkoren. Aan het nakroost van dat volk belooft God zijn Geest te geven. In deze tekst in geen sprake van kleine kinderen.
  • Hand. 2: 395: In principe is op de Pinksterdag Jes. 44: 3 in vervulling geaan, evenals Joël 2. De belofte waarover dit vers spreekt is niet het verbond of de doop, maar zoals de Cathechismus blijkbaar ook bedoelt te zeggen: de gave van de Heilige Geest (zie vers 33).
    Om deze gave te ontvangen moet men zich echter persoonlijk bekeren (vers 38).
    Verder wordt hier onder 'uw kinderen' uw nageslacht verstaan (vgl. Hand. 13: 3227).
  • Hand. 10: 47: Deze tekst zegt niets over een teken van het verbond, maar slechts dat zij, die het Woord gehoord hadden (vers 33) en dat kennelijk hebben aangenomen, gedoopt werden. Evenals bij de andere gevallen dat er een 'huisgezin' gedoopt werd ontbreekt iedere aanwijzing dat dit ook kleine kinderen betrof. Integendeel, in het geval van Cornelius en van de gevangenisbewaarder te Filippi getuigt de tekst van het tegendeel. Evenals trouwens bij Lydia (zie: Hand. 10: 3328; 16: 4029; 16: 3430).
  • Gen. 17: 147: De besnijdenis ziet niet heen naar de doop, maar naar de geestelijke besnijdenis van het hart.

Deze teksten behelzen geen argumenten voor de kinderdoop. Het feit dat ze aangevoerd worden toont juist het gebrek aan bewijsgronden.


Geadopteerde kinderen

Het gebrek aan bijbelse bewijsgronden voor de kinderdoop treedt wel bijzonder sterk aan het licht bij de discussie rond de doop van geadopteerde kinderen.
De verslagen van de synodes, die zich met deze taak hebben beziggehouden, laten zien hoe men worstelt met dit probleem, dat men zelf heeft opgeroepen. Men beroept zich op vorige synodebesluiten, men zet een redenering op, maar met bijbelse argumenten komt men niet. De één maakt adoptie tot een toegangsdeur tot het verbond, de ander wil slechts de geadopteerde kinderen dopen, die op 'erve van het verbond' geboren zijn. Deze laatsten staan voor de taak om de grenzen van die erve duidelijk aan te geven. De ernst waarmee men deze zaak behandelt verheelt niet de grote verwarring, die er heerst. Een verwarring die in dit geval alleen maar te verklaren is uit een gebrek aan bijbelse argumenten.


Waar blijft de troost van de verbondsbelofte?

Maar als de doop niet in de plaats van de besnijdenis is gekomen, welke troost blijft er dan nog over voor ouders die een jong kind door de dood hebben verloren? De troost van de verbondsbelofte en van het verbondsteken wordt hun nu immers ontnomen?
Wel, zulke ouders behoeven niet ontdaan te zijn van onze kritiek. De Schrift geeft een veel hechtere grondslag voor het behoud van hun kinderen dan de verbondstheologie ooit zou kunnen doen. Zie hiervoor het volgende hoofdstuk.
Wie meent dat hier troost ontnomen wordt, doet trouwens goed zich af te vragen, welke troost de verbondsopvatting geeft aan ouders die op latere leeftijd tot bekering zijn gekomen maar aan wie in hun onbekeerde staat een kind door de dood ontvallen is.

Meelezen

1
Genesis 17: 7
Ik zal mijn verbond oprichten tussen Mij en u en uw nageslacht in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u en uw nageslacht tot een God te zijn.
2
Psalm 22: 11
aan U werd ik overgegeven bij mijn geboorte, van de moederschoot af zijt Gij mijn God.
3
Jesaja 44: 1,2,3
Maar nu, hoor, o Jakob, mijn knecht, en Israël, die Ik verkoren heb. Zo zegt de HERE, uw Maker en van de moederschoot aan uw Formeerder, die u helpt: Vrees niet, mijn knecht Jakob en Jeschurun, die Ik verkoren heb. Want ik zal water gieten op het dorstige en beken op het droge; Ik zal mijn Geest uitgieten op uw nakroost en mijn zegen op uw nakomelingen.
4
Mattheüs 19: 14
Maar Jezus zeide: 'Laat de kinderen geworden en verhindert ze niet tot Mij te komen, want voor zodanigen is het Koninkrijk der hemelen'.
5
Handelingen 2: 39
Want voor u is de belofte en voor uw kinderen en voor allen, die verre zijn, zovelen als de Here, onze God, ertoe roepen zal.
6
Handelingen 10: 47
Toen merkte Paulus op: Zou iemand het water kunnen weren, om dezen te dopen, die evenals wij de Heilige Geest hebben ontvangen?
7
Genesis 17: 14
En de onbesnedene, de man namelijk, die het vlees van zijn voorhuid niet laat besnijden, die mens zal uitgeroeid worden uit zijn volksgenoten: hij heeft mijn verbond verbroken.
8
Kolossenzen 2: 11,12,13
In Hem zijt gij ook met een besnijdenis, die geen werk van mensenhanden is, besneden door het afleggen van het lichaam des vlezes, in de besnijdenis van Christus, daar gij met Hem begraven zijt in de doop. In Hem zijt gij ook mede opgewekt door het geloof aan de werking Gods, die Hem uit de doden heeft opgewekt. Ook u heeft Hij, hoewel gij dood waart door uw overtredingen en onbesnedenheid naar het vlees, levend gemaakt met Hem, toen Hij ons al onze overtredingen kwijtschold.
9
Markus 10: 16
En Hij omarmde ze en hun de handen opleggende, zegende Hij ze.
10
Efeze 4: 5
één Here, één geloof, één doop, één God en Vader van allen.
11
Johannes 1: 12
Doch allen die Hem aagenomen hebben, hun heeft Hij de macht gegeven om kinderen Gods te worden, hun, die in zijn naam geloven; die niet uit bloed, noch uit de wil van het vlees, noch uit de wil van een man, doch uit God geboren zijn.
12
Genesis 17: 6
Ik zal u uitermate vruchtbaar maken en u tot volken stellen, en koningen zullen uit u voortkomen.
13
Genesis 17: 8
Ik zal aan u en uw nageslacht het land, waarin gij als vreemdeling vertoeft, het ganse land Kanaän, tot een altoosdurende bezitting geven, en Ik zal hun tot een God zijn.
14
Galaten 3: 7
Gij merkt dus, dat zij, die uit het geloof zijn, kinderen van Abraham zijn

  Galaten 3: 29
Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen.

15
Galaten 3: 14
Zo is de zegen van Abraham tot de heidenen gekomen in Jezus Christus, opdat wij de belofte des Geestes ontvangen zouden door het geloof.
16
Romeinen 4: 19
En zonder te verflauwen in het geloof heeft hij opgemerkt, dat zijn eigen lichaam verstorven was, daar hij ongeveer honderd jaar oud was, en dat Sara's moederschoot was gestorven.
17
Efeze 2: 1
Ook u, hoewel gij dood waart door uw overtredingen...
18
Romeinen 8: 3
Want wat de wet niet vermocht, omdat zij zwak was door het vlees - God heeft, door zijn eigen Zoon te zenden in een vlees, aan dat der zonde gelijk, en wel om de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees.
19
2 Korintiërs 5: 21
Hem, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem.
20
Lukas 2: 21
En toen acht dagen vervuld waren, zodat zij Hem moesten besnijden, ontving Hij ook de naam Jezus, die door de engel genoemd was, eer Hij in de moederschoot was ontvangen.
21
Efeze 4: 22
dat gij, wat uw vroegere wandel betreft, de oude mens aflegt, die ten verderve gaat,
22
Kolossenzen 3: 9
...daar gij de oude mens met zijn praktijken afgelegd...
23
Romeinen 6: 4
Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat gelijk Christus uit de doden opgewekt is door de majesteit des Vaders, zo ook wij in nieuwheid des levens zouden wandelen.
24
Kolossenzen 3: 1-4
Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand Gods. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Want gij zijt gestorven en uw leven is verborgen met Christus i God. Wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid.
25
Mattheüs 19: 14
Maar Jezus zeide: 'Laat de kinderen geworden en verhindert ze niet tot Mij te komen, want voor zodanigen is het Koninkrijk der hemelen'.
26
Lukas 1: 15
Want hij zal groot zijn voor de Here en wijn en sterke drank zal hij niet drinken en met de Heilige Geest zal hij vervuld worden, reeds van de schoot zijner moeder aan.
27
Handelingen 13: 32
28
Handelingen 10: 33
Ik heb dan terstond iemand tot u gezonden en gij hebt er wèl aan gedaan hier te komen. Wij zijn dan nu allen aanwezig voor het aangezicht Gods, om te horen al wat u door de Here opgedragen is.
29
Handelingen 16: 40
En uit de gevangenis gekomen, gingen zij naar Lydia, en zij zagen de broeders en spraken hen bemoedigend toe en vertrokken.
30
Handelingen 16: 34
en hij bracht hen naar boven in zijn huis en richtte een tafel aan, en hij verheugde zich, dat hij met zijn gehele huis tot het geloof in God gekomen was.