"Ik weet dat jullie uitverkoren zijn", schrijft Paulus aan de jonge gemeente in
Thessalonika1.
Heeft Paulus het boek des levens mogen inzien, om te kijken of de namen van de
gemeenteleden in Thessalonika er in stonden?
Of had God hem dat verteld?
Nee, geen van beide, en toch weet hij het heel zeker.
Die mensen hebben namelijk gewoon geluisterd toen Paulus hen het evangelie heeft
uitgelegd, en die boodschap aangenomen2.
Zij hebben zich duidelijk bekeerd van hun vroegere leven als afgodendienaars, en
dat is de hele omgeving opgevallen. Iedereen praat er over.
Ja, alles goed en wel, maar wat zegt dat over 'uitverkiezing'?
Het laat zien dat we niet te pas en te onpas over uitverkiezing kunnen praten.
Dat doet de Bijbel ook niet.
Het thema van de uitverkiezing wordt alleen besproken met gelovigen,
en nooit met ongelovigen.
Voor alle
ongelovigen
is er maar één boodschap: "bekeer je"
(en dat is pure noodzaak);
aan alle
gelovigen
laat God weten dat Hij hen al van te voren kende
(en dat is een geweldige ontdekking)3
.
Hij vertelt Zijn kinderen dat Hij hen zelfs heeft uitverkoren van vóór
de grondlegging van de wereld, om hen te overladen met al Zijn zegeningen.
Je zou het kunnen vergelijken met een poort, waarboven aan de buitenkant staat: "bekeer je".
Iedereen wordt uitgenodigd.
Alleen iemand, die het evangelie aanneemt, gaat naar binnen, draait zich om en ziet aan
de binnenkant van de poort staan: "Ik heb je uitverkoren".
Kortom: je weet pas of je uitverkoren bent, nadat je het evangelie hebt aangenomen.
Je zou het zo kunnen zeggen:
het evangelie aannemen en tot de ontdekking komen dat je
uitverkoren bent is 100% Gods genade; verloren gaan is 100% eigen schuld.
Tot zover iets over het bijbels gebruik van 'uitverkiezing'.
Er is ook onbijbels gebruik. Bijvoorbeeld:
- als er uitverkiezing der genade is, dan is er ook een uitverkiezing ten
oordeel.
(de leer van de dubbele uitverkiezing)
Deze leer gaat veel verder dan de Bijbel.
Nergens, maar dan ook nergens, is te lezen dat God iemand heeft uitverkoren om verloren te gaan.
Dit is puur een conclusie van de menselijke logica.
Als argument wordt vaak gebruikt
"Jakob heb ik liefgehad, en Ezau heb ik gehaat"4.
Merkwaardig, want God zegt dat niet vooraf, maar pas zo'n 1400 jaar nadat deze personen hebben geleefd.
Vooraf zegt God wel, dat de oudste de jongste zal dienen5, maar dat zegt niets over Zijn haat naar
Ezau.
God is Ezau gaan haten naar aanleiding van zijn gedrag, zoals God het hart van de farao in Egypte
verhard heeft nádat hij weigerde om God te gehoorzamen.
Het bijzondere in Maleachi is trouwens ook niet om de haat van God naar Ezau te laten zien,
maar meer om Zijn liefde naar Jakob te tonen, ondanks het feit dat Jakob vaak bijzonder onbetrouwbaar
was. En dat is een troost voor het Israël van die tijd, omdat het niet veel beter is
dan hun stamvader, en toch kunnen zij blijven rekenen op Gods liefde.
1 Petrus 1: 1, 2
... uitverkorenen naar de voorkennis van God de Vader,