Op het moment dat je je bekeert wil je heel graag dat alles weg is tussen jou en God.
Je belijdt oprecht je zonden, en dan mag je weten dat God ze vergeeft en er nooit meer aan
terugdenkt.
Maar je realiseert je dat er heel wat zonden zijn, die je al lang vergeten bent. Vergeeft God die ook?
Twee voorbeelden om die twijfel weg te nemen.
Als de Heer aan het kruis hangt, komt één van de boosdoeners met een eerlijke
schuldbelijdenis: "wij ontvangen wat onze daden waard zijn"1.
Daarbij denkt hij aan de misdaden op grond waarvan hij ter dood gebracht moet worden.
Daar ziet hij ook zelf de redelijkheid wel van in.
De aardse rechter heeft hem niet veroordeeld om andere zaken, want die zijn niet strafbaar in het wetboek
van strafrecht.
Maar hoe zit dat met de hemelse Rechter?
God heeft op alle mogelijke manieren geprobeerd om iets goeds bij mensen te vinden,
maar Zijn conclusie moet zijn dat er niemand is2.
Iedereen staat strafschuldig voor God3.
Een verloren zondaar wordt straks niet veroordeeld omdat hij zulke grote misdaden begaan heeft,
maar omdat hij niet geloofd heeft in de Heer Jezus Christus, als zoenoffer voor zijn zonden.
Op de een of andere manier heeft deze ene boosdoener het juiste zicht gekregen op de Persoon van de Heer Jezus.
Hij ziet in deze Gekruisigde de grote Koning, die door de profeten was aangekondigd.
Dat brengt hem tot die ontroerende uitroep: "Jezus, denk aan mij"4.
Wat is dan het antwoord van de Heer?
Moet die man eerst alle zonden opnoemen? Welnee, dat zou onbegonnen werk zijn, want voor God
tellen niet alleen zijn misdaden waardoor hij ter dood gebracht moet worden, maar ook alle andere daden!
Louter het feit dat hij oprecht de Heer aanroept om aan hem te denken, is voor de Heer voldoende
om tegen hem te zeggen: "Voorwaar, Ik zeg u: vandaag zult u met Mij in het paradijs zijn"5.
In dat antwoord ligt de zekerheid van zijn aanneming. Geen twijfel mogelijk!
Johannes gebruikt in zijn eerste brief duidelijke taal, speciaal bedoeld voor jonge gelovigen, die
door allerlei leringen in verwarring zijn geraakt.
Hij schrijft vaak in de wij-vorm, zoals ook bij het belangrijke punt van de zondenvergeving:
"Als
wij
onze zonden belijden ..."6.
Daarbij gaat deze oude apostel gewoon naast zijn jonge lezers staan, en laat zien dat het voor God
niet uitmaakt wie wanneer met wat komt.
Het hele vers luidt:
"Als wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons
te reinigen van
alle
ongerechtigheid"6.
Daar staat dus dat je gereinigd wordt van "alle
ongerechtigheid", en daarmee neemt God echt
alles weg wat er tussen jou en Hem in staat: rein = rein!
Wat moet je daarvoor doen? Gewoon je zonden belijden. Natuurlijk alleen de zonden die je je herinnert,
want God vraagt niet iets van je wat je niet (meer) weet.
Deze voorbeelden laten zien dat je gereinigd wordt op het moment dat je voor het eerst oprecht
met je zonden bij God komt, en gelooft in het verzoenigswerk van de Heer Jezus.
Je bent dan een kind van God geworden, en je kunt niet meer verloren gaan.
Maar ook als kind van God kan het gebeuren dat je nog wel eens zondigt.
Dan geldt precies hetzelfde, maar dan niet om een kind van God te worden, maar om als kind in
relatie met je Vader te blijven7.