Vlak vóór Zijn sterven vertelt de Heer Jezus aan de discipelen dat er na Zijn hemelvaart een andere Trooster
(of: Voorspraak) bij hen zal komen, namelijk de Heilige Geest1.
Maar wanneer Hij spreekt over ‘een andere’ moet er dus nóg een zijn.
Dat blijkt Hij Zélf te zijn, ook ná Zijn hemelvaart2.
Dat betekent dus dat een gelovige twee Troosters heeft:
In ons taalgebruik wijst een trooster op iemand die steunt bij verdriet.
Zo troost God ons3 en wij elkaar4, maar dat is zeker niet de betekenis van de Trooster
(Grieks: paraklètos).
Dit woord betekent letterlijk ‘erbij geroepene’.
Het wijst bijvoorbeeld op een advocaat die erbij geroepen wordt in een rechtszaak om
de belangen te behartigen van een verdachte.
Johannes is de enige die over de Trooster schrijft, maar over een rechtbank heeft hij het nooit.
Het onderwijs van Johannes gaat over de familie van God, met onderwerpen als:
de openbaring van de Vader in Zijn Zoon5;
ieder die Hem heeft aangenomen is uit God geboren en mag zich een kind van God mag noemen6;
een gelovige leeft in gemeenschap met de Vader en de Zoon7, e.d.
Welke taken ziet Johannes voor de Trooster?
Op het eerste gezicht lijken de taken van de Heilige Geest en de Heer Jezus niets met elkaar te maken te hebben. Toch moet er een verband zijn. Dat verband wordt wellicht zichtbaar in de taken van iemand uit het Oude Testament: de losser (Hebreeuws: Goël).
De losser is vooral bekend uit het boek Ruth.
Naomi komt als weduwe terug in Bethlehem, samen met haar schoondochter Ruth, eveneens weduwe.
Ruth gaat aren lezen en komt toevallig terecht op het veld van Boaz.
Wanneer Ruth met een grote opbrengst thuiskomt, wil Naomi weten bij wie ze geweest.
Dan blijkt Naomi hem goed te kennen: “hij is één van onze lossers!”13
en bovendien weet zij: “hij zal niet rusten voordat deze zaak klaar is”14.
Boaz is nooit uit Bethlehem weggegaan en blijkt de enige te zijn die kán lossen.
Dat betekent dat hij het verloren bezit van Naomi’s man en zonen terugkoopt en
trouwt met Ruth om te zorgen voor een erfgenaam van haar overleden man15.
Een losser is nauw verwant16, een broer, oom, neef of naaste familie17.
De taken van de losser zijn:
In het beloofde land ontvangt iedere stam van Israël een erfdeel.
Het is voor God van groot belang dat ieder volop geniet van het eigen bezit21.
Dat bezit kan echter verloren gaan door verarming of overlijden.
In het jubeljaar komt het bezit sowieso weer terug22,
maar een losser kan vóór die tijd zijn arme broeder helpen door zijn bezit terug te kopen.
Een prachtige voorziening van God, vol lering voor ons christenen.
Wat is óns erfdeel, en kan dat verloren gaan?
Johannes schrijft veel over het eeuwige leven, hét kenmerk van een kind van God,
waardoor we in staat zijn om gemeenschap te hebben met de Vader en de Zoon23.
David legt al een verband tussen de zegen van het land en het leven tot in eeuwigheid24.
Dat helpt ons te begrijpen dat het erfdeel van de Israëliet een voorbeeld is van het eeuwige leven voor ons.
Nu is het duidelijk dat een kind van God het eeuwige leven nooit kan kwijtraken25,
maar het genot daarvan wél!
Een gelovige kan verarmen, en zelfs in een doodse situatie belanden.
Dat gebeurt niet zozeer door zonden, maar bijvoorbeeld door een gebrek aan stille tijd.
Zulke momenten zijn bij uitstek de gelegenheid dat Gods Woord ons reinigt van de dagelijkse beslommeringen.
De Heer laat dat zien bij de voetwassing: 'want als Ik je niet was, heb je geen deel met Mij'
('deel hebben' = gemeenschap, en wijst op genot van ons erfdeel)26.
Niet toevallig vindt dit plaats vlak voordat de Heer Jezus over de andere Trooster begint.
Ná Zijn hemelvaart neemt de Heilige Geest die taak over,
maar daarvoor moet Hij wel de ruimte in ons leven krijgen!
Hij blijft echter altijd bij ons, en zodra wij onze verarming beseffen brengt Hij ons de rijkdommen van Christus
weer in herinnering, en kan Hij ons verder leiden in de waarheid27.
De losser heeft ook nog een vierde (minder bekende) taak, die van de bloedwreker.
Hij voert namens de gedode broeder diens rechtsgeding28.
Ook hier gaat het om de Goël, namelijk ‘de losser van het bloed’,
die de belangen behartigt van de gedode om zo mogelijk de doodslager te doden.
Nu komt de Heer Jezus als Voorspraak in beeld.
In zijn eerste brief bespreekt Johannes het probleem van de zonde.
Een gelovige is niet meer in de mácht van de zonde, maar kan helaas nog steeds zondigen.
Wat moet er dan gebeuren?
‘Als we onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven
en ons te reinigen van alle ongerechtigheid’29.
Na belijdenis zijn de smetten van het verleden weg.
De gemeenschap met de Vader en de Zoon is weer hersteld!
Maar er is nog iets te doen met het oog op de toekomst.
‘Ik schrijf u deze dingen opdat u niet zondigt.
En als iemand zondigt, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige’30.
Dat betekent niet dat de Heer Jezus een goed woordje voor ons moet doen om de toorn van een heilig God te bedaren,
en ook niet om het kind het idee te geven dat zondigen niet zo erg is (want 'je bent toch een kind van God').
Nee, het gaat om de relatie Vader – kind. Dat kind heeft gezondigd en
moet beseffen dat het daarmee een bloedschuld op zich heeft geladen. Voor die zonde moet iemand sterven.
Gelukkig is er een Mens die volmaakt rechtvaardig heeft geleefd
en daardoor plaatsvervangend het zoenoffer is geworden31.
Wat een wonderlijke ontdekking:
de Zoon met Wie de gemeenschap is hersteld, is ook de Mens Die voor deze zonde is gestorven!
Die taal 'spreekt' de Heer Jezus vanuit de hemel bij Zijn Vader, "opdat u niet zondigt".
Dát is in het belang van het kind en maakt het herstel compleet !