In de tijd van Elia en Elisa is het niet best in Israël.
Met name in het 10-stammen rijk floreert de Baäl-dienst en spelen zich de
meest immorele taferelen af op de plek waar deze afgod wordt gediend.
Toch is het de tijd waarin mensen de Heer graag willen dienen, en ontstaan
er profetenscholen, waar profetenzonen worden onderwezen in de Schriften.
Eén van hen heeft een gezin, bestaande uit hem, zijn vrouw en twee zonen1.
Onverwachts overlijdt deze man en laat zijn vrouw achter met een aanzienlijke
schuld. De schuldeiser wil beide zonen als slaven verkopen om daarmee de
uitstaande schuld te vereffenen.
Wat is er mis gegaan?
Waarom heeft de man geld geleend bij zo'n keiharde zakenman?
Waarom heeft hij hun beide zonen als onderpand laten opnemen in de
overeenkomst, en heeft hij die zó ondertekend?
Wist zijn vrouw hiervan, of heeft zij haar man blindelings vertrouwd?
Waarom is de man met zijn geldprobleem niet naar Elisa gegaan, terwijl de vrouw
hem kennelijk heel goed weet te vinden?
Allemaal vragen die opkomen bij het lezen van dit verhaal, maar die ook
kunnen opkomen bij het aanhoren van situaties vandaag, misschien wel in je
eigen leven.
Hoe makkelijk zetten we niet een stap die grote gevolgen kan hebben? Hoe
vaak vertrouwen we niet op het inzicht van een ander, levenspartner,
voorganger of wie dan ook? We hebben zelfs niet in de gaten dat het leven
van onze kinderen gevaar loopt.
En dat terwijl onze 'man Gods', de Heer Jezus Christus, gewoon beschikbaar is
voor al onze vragen en worstelingen. Hij wil niets liever dan ons aanhoren en
verhoren2.
Als de weduwe bij Elisa komt hoeft zij niets te vragen. Hij vraagt haar: "Wat kan ik voor u doen?", maar wacht het antwoord niet af. Hij wil haar betrekken in de oplossing en voegt er aan toe: "Vertel mij, wat hebt u in uw huis?" In haar gedachten gaat ze door het hele huis, maar kan niets bedenken wat nuttig kan zijn voor de man Gods, behalve één ding: een kruikje olie.
Als het even kan wil de Heer gebruik maken van onze eigen mogelijkheden3,
ook waar we tot nu toe nog niet zo op gelet hebben (of vergeten zijn).
Op zo'n moment beseffen we weer eens dat we voor ons idee heel wat in huis hadden,
maar is dat bruikbaar voor de Meester? Misschien is alles nutteloos, met uitzondering
van een groot geschenk: elk kind van God heeft 'een kruikje olie'.
Olie wijst altijd op de Heilige Geest, die in ons komt wonen op het moment
dat we tot geloof gekomen zijn4.
Misschien hebben we er tot nu toe niet zoveel aandacht aan geschonken, maar Hij
is er wel! En daar gaat de Heer mee verder.
Alle lege vaten die de vrouw en haar zonen buitenshuis vinden worden verzameld,
en dan moet de deur op slot, want het echte wonder vindt plaats achter gesloten
deuren (evenals in het hierop volgende verhaal5).
De olie blijft stromen totdat er geen leeg vat meer is.
Dat vertelt ze tegen Elisa, waarop hij haar opdraagt de olie te verkopen en met de
opbrengst naar de schuldeiser te gaan.
De Heer Jezus heeft al in de z.g. bergrede gezegd dat een discipel voor zijn gebed
de binnenkamer moet opzoeken en de deur moet sluiten6. Daar gebeuren de wonderen met
alle vaten die we kunnen vinden!
Een vat kan wijzen op een persoon7.
Elke christen kent zo heel veel lege vaten.
Voor het merendeel buitenshuis, maar soms ook in eigen huis.
Wat kun je inzitten over het leven van je kinderen, familie, vrienden, enz. De Heer draagt
ons op om ze mee te nemen in ons gebed in de binnenkamer, want met dat kleine beetje
olie in mijn leven kan de Heer Zijn werk doen in de levens van anderen.
Hoe? Wanneer? Dat is Zijn zaak, Zijn wonder!