"Hij heeft u bekend gemaakt, o mens, wat goed is en wat de Here van u vraagt: niet anders dan recht te doen en getrouwheid lief te hebben, en ootmoedig te wandelen met uw God."1
De profeet Micha profeert onder de koningen Jotam, Achaz en Hizkia.
Verder weten we van hem niets, dan alleen de inhoud van zijn boek 'Micha'.
De andere profeet Micha profeteerde onder koning Achab, en is dus iemand anders2.
Micha krijgt de opdracht om het volk Israël aan te spreken op hun afgodendienst. Er zijn wel meer zonden te noemen, maar dit kwaad zit bij hen heel diep en zij dragen het al heel lang met zich mee.
We zouden het niet direct vermoeden, maar al vóór hun bevrijding
uit Egypte dient dit volk afgoden, en zij zijn dat tijdens hun 40-jarige
reis door de woestijn blijven doen.
De oproep van Jozua is bepaald niet misplaatst3, maar ze
luisteren niet.
Als zij in het land wonen vertelt het boek Richteren dat zij bijna
voortdurend de afgoden van de hen omringende volkeren hebben gediend.
En dat blijft maar doorgaan.
Desondanks blijft God vasthouden aan Zijn plannen: de Messias komt! Tussen alle waarschuwingen door mag Micha deze belofte laten oplichten over 'de doorbreker'4, die Zijn rijk van vrede gaat oprichten5, en die eens in Bethlehem geboren zal worden6.
En tot die tijd?
Zolang de Messias er nog niet is, en dit volk zó worstelt met afgoden,
vraagt God niets anders dan recht doen, getrouwheid lief hebben en
ootmoedig wandelen met hun God.
En laten het nu juist déze punten zijn waarop vooral de leiders van
het volk het hebben laten afweten.
Dit is Israël overkomen tot onze lering, ook (of misschien wel: juist) met betrekking tot
afgodendienst.
Hebben wij, christenen, dan afgoden?
In het Nieuwe Testament vinden we er concreet twee:
Johannnes schrijft zijn eerste brief om (met name jonge) gelovigen te
waarschuwen voor verkeerde leringen over de Heer Jezus.
Hij legt uit dat Hij volkomen God én volkomen Mens is in één
Persoon7.
Dat is het enige juiste 'beeld' van de Heer Jezus Christus, de Zoon van God.
Er zijn veel antichristen die dit 'beeld' willen vervangen door een ander, en
dat is niets anders dan een afgod8.
Hebzucht is de ultieme vorm van ego-centrisch gedrag: Ik sta in het middelpunt. Alles is er op gericht dat ik zoveel mogelijk ontvang. En daarmee neem ik de plaats in die alleen aan God toekomt. Daarom noemt Paulus deze zonde 'afgodendienst'9.
Beide afgoden vormen een levensgroot probleem voor ons christenen.
Wellicht denk ik dat mijn 'beeld' van de Heer Jezus zuiver bijbels is (en elke
wedergeboren christen zou niets anders willen), maar het blijft nodig om
alles wat ik lees of hoor over mijn Heiland te toetsen.
Maar hoe zit het met de hebzucht? Het materialisme?
Ben ik dan ook bereid om mijn wensen te toetsen?
En wel aan de Enige, die gezegd heeft: "het is zaliger te geven dan te
ontvangen", en die dat ook in Zijn leven heeft laten zien10?
Vooral deze laatste afgod blijft voor ons christenen een levenslange worsteling.
En toch richt God Zich ook vandaag tot zulke christenen met de boodschap
dat de komst van de Heer Jezus aanstaande is.
Juist wanneer de leiders in de gemeente van God het belang van die komst niet
meer inzien, is God op zoek naar de individuele christen.
Voor Hem is dat de 'mens Gods' die weet:
Die kennis krijg ik door de Heer Jezus te leren kennen in Zijn leven op aarde.
"Hij ging het land door, goed doende"11.
Hoe kwam Hij aan die kennis?
"Hij opende elke morgen zijn oor als iemand die geleerd wilde worden"12,
namelijk om te weten wat Hij die dag zou moeten zeggen of zwijgen, doen of
nalaten, gaan of wachten.
Die mogelijkheid heeft elke christen!
Ja, de Heer vraagt iets. Het is niet veel, slecht drie dingen.
Een soort minimum pakket dus, maar elk onderdeel is bijzonder waardevol
omdat ook dit ons brengt bij de Heer Jezus.
God vraagt niets anders te doen dan: