Tijdens zijn 2e
zendingsreis is Paulus in Korinthe aangekomen.
Korte tijd later komen Timotheüs en Silas daar ook, en vertellen hem over de ontwikkelingen
in de jonge gemeente in Thessalonika.
In het algemeen maakt het hem blij, maar er blijken ook een paar dingen te zijn die men in
Thessalonika nog niet goed begrijpt1.
Eén daarvan is dat zij zó uitkijken naar dat komst van de Heer
dat zij zich afvragen hoe een ontslapen gelovige met Christus zal verschijnen.
Een mooie aanleiding voor Paulus om meer details te vertellen over het moment van de opname.
Ook in de gemeente in Korinthe is iets aan de hand.
Daar zijn misverstanden over de opstanding.
Sommigen zeggen zelfs dat er geen opstanding is2.
Dat is een absurde dwaalleer, en Paulus toont aan dat het zelfs fundamenteel is voor ons
geloofsleven.
Aan het eind van zijn uitleg, beschrijft hij dat de opstanding niet in één keer
zal plaats vinden, maar dat er een (rang)orde in zit.
De Heer heeft ons (de kinderen van God) beloofd dat Hij terugkomt, zodat wij zullen zijn waar Hij is3.
Dat is iets om met blijdschap naar uit te kijken.
Op dat moment worden de ontslapen gelovigen opgewekt en gaan samen met de levende gelovigen de Heer tegemoet in
de lucht4.
De ontslapen gelovigen zullen hun (tot stof vergane) lichaam weer terugkrijgen, maar dan als
opstandingslichaam, dus "onvergankelijk en onsterfelijk".
De lichamen van de levende gelovigen zullen veranderd worden in een opstandingslichaam.
Daarmee zijn alle gelovigen geschikt om in de hemel te kunnen komen.
Dit gebeurt allemaal "in een oogwenk"5.
Wanneer de Heer zal neerdalen en wij Hem tegemoet gaan in de lucht, is onze ontmoeting
dus 'ergens in de lucht', en daarom niet zichtbaar op aarde.
Degenen die achterblijven, zullen opeens een aantal mensen missen.
Dat is alles wat zij er van gaan merken.
Zij zullen een verklaring zoeken, en die ook krijgen: God zal er voor zorgen dat zij
een leugen te horen krijgen, die zij ogenblikkelijk zullen geloven6.
Het is duidelijk dat de Heer komt voor Zijn gemeente.
De gelovigen, die nu leven ("wij, de levenden") gaan in ieder geval mee.
Maar ook de ontslapenen. Zij krijgen zelfs een voorkeursbehandeling, want zij worden eerst
opgewekt7
en wij gaan "samen met hen"8.
Het is trouwens een liefelijke omschrijving voor een gestorven gelovige: hij of zij is ontslapen,
d.w.z. naar het lichaam ingeslapen (niet naar de geest!) om bij de komst van de Heer wakker te
worden.
Een gestorven ongelovige wordt nooit zo genoemd.
Wie zijn deze ontslapenen, of "de doden in Christus"?
Het zijn natuurlijk in ieder geval de gelovigen die tot de gemeente behoren
(die dus overleden zijn ná de pinksterdag in Hand. 2).
Maar horen de gelovigen uit het Oude Testament daar ook bij?
Op grond van b.v. Rom. 3: 259
zijn niet alleen de zonden van de gelovigen nú vergeven,
maar ook die van de gelovigen uit het verleden (uit het Oude Testament).
Natuurlijk kenden zij de Heer Jezus en Zijn verzoeningswerk aan het kruis niet,
maar dat neemt niet weg dat zij alleen maar vergeving konden ontvangen omdat God vooruitzag
naar het werk van Zijn Zoon.
Hoe zou God hun zonden anders kunnen vergeven?
God zag hen tijdens hun leven dus al "in Christus" aan.
Bij hun sterven werd dat niet anders. Zij stierven "in Christus". In wie anders?
Een groot verschil is echter, dat zij (vóór Hand. 2) niet tot de gemeente behoren
en wij wel.
Maar zowel zij als wij zijn alleen gered door het werk van de Heer Jezus.
Als Paulus schrijft "wij, de levenden"10, dan betekent dat niets anders dan dat hij ervan uit
gaat dat de Heer komt tijdens zijn leven.
In die verwachting leefde en werkte hij.
Inmiddels weten we dat de Heer niet gekomen is tijdens het leven van Paulus, en dat die
gebeurtenis nog steeds niet plaatsgevonden heeft.
Maar het is ontzettend belangrijk om als christen in diezelfde overtuiging te leven.
Er is geen enkele profetie die eerst nog in vervulling hoeft te gaan.
De Heer wil graag dat wij naar Hem uitzien, zoals Hij naar ons uitziet.
Hij kan elk moment komen.
Vandaar dat in menig christelijk huis het bordje aan de muur hangt met de tekst "misschien vandaag".
Ja, dat lijkt verwarrend, maar dat is het niet.
Eens zullen wij mét de Heer komen11
en dat
zal grote indruk maken op de mensen op aarde12.
Maar als wij eens mét de Heer uit de hemel zullen komen, dan is het duidelijk dat
wij er eerst naar toe moeten gaan.
Zijn 1e
komst is dus bedoeld om ons op te nemen in de hemel, waarbij de ontmoeting
tussen de Heer en ons onzichtbaar zal blijven voor de mensen op aarde.
Zijn 2e
komst vindt enige tijd later plaats, wanneer Hij mét ons vanuit
de hemel komt om hier op aarde Zijn koningschap te aanvaarden, zichtbaar voor iedereen.
Het zijn dus twee verschillende gebeurtenissen op twee verschillende momenten.
Toch zal er ook bij Zijn 2e
komst nog een opstanding zijn.
Dat betreft gelovigen, die ná de opname van de gemeente het Woord van God hebben aangenomen,
en om die reden als martelaar zullen sterven.
Zij zullen opgewekt worden en duizend jaar met Christus regeren13.
Ook dat hoort bij de eerste opstanding, de opstanding ten leven14.
De opstanding ten leven verloopt dus in een bepaalde (rang)orde15:
In 1 Kor. 15: 52 lezen we over de laatste bazuin.
Dat heeft niets te maken met de 7e
bazuin uit Openb. 11: 15, maar is een toespeling op
het optrekken van een leger, zoals dat onder Israël ook wel bekend was.
Er werd allereerst op de bazuin geblazen om te verzamelen, daarna om klaar te maken, en ten slotte (bij de
laatste bazuin) om te vertrekken, een ieder in zijn eigen (rang)orde.
Zo vindt de opstanding ten leven plaats in drie fases: eerst de Heer Jezus,
daarna de ontslapen en veranderde heiligen bij Zijn komst, en als laatste de ontslapen martelaren.
De opstanding ten oordeel is aan het eind van het 1000-jarig rijk voor de grote, witte troon.16