Ik vind 1 Petrus 3: 19 lastig te begrijpen:
"in Welke Hij ook heengegaan is en gepredikt heeft tot de geesten in gevangenschap".
Wie heeft 'gepredikt'? Welke boodschap? Wie zijn 'de geesten'? Wat of waar is 'gevangenschap'?
Het is inderdaad niet in één oogopslag duidelijk wat Petrus precies bedoelt. Het is altijd goed om een tekst in z'n samenhang te lezen, zeker bij zo'n lastige als deze.
Als we proberen om het betoog van Petrus in deze verzen te volgen valt het op dat er twee
begrippen zijn waar hij de nadruk op legt.
Daarover schrijft hij in 3: 10 - 18, en opnieuw in 4: 1 - 6.
In het tussenliggende gedeelte 3: 19 - 22 noemt hij de ark van Noach en de doop, kennelijk als voorbeelden
om zijn betoog te verduidelijken.
Deze twee begrippen zijn:
Om onze overgang van het ene naar het andere gezagsgebied duidelijk te maken, gebruikt Petrus
twee voorbeelden: de ark van Noach6
en de doop7.
Deze twee zijn elkaars tegenbeeld, d.w.z. ze lijken op elkaar omdat er nogal wat punten van overeenkomst zijn:
Allereerst vergelijkt Petrus de dagen van Noach met de dagen waarin zijn lezers in de verstrooiing
(en dus ook christenen vandaag) zich
bevinden. Let op het woordje 'ook' in vers 19.
Er blijken nogal wat punten van overeenkomst te zijn:
Er zijn dus duidelijk punten van overeenkomst tussen de dagen van Noach en de tijd van Petrus' brief,
tussen de dagen van
toen
en en de dagen van
nu.
Het helpt wellicht om die twee woordjes
toen
en
nu
er in vers 19 tussen te lezen. Dan luidt de tekst:
"in welke Hij ook
toen
heengegaan is en gepredikt heeft tot de geesten die
nu
in
gevangenschap zijn".
Vervolgens vergelijkt Petrus de ark van Noach met de doop.
Zoals de ark het huisgezin van Noach heeft behouden, zó behoudt de doop nu ook mij.
En dat is een belangrijk gezichtspunt!
Velen zeggen: de doop is een soort belijdenis van wat er met mij gebeurd is.
Petrus en anderen12
zeggen: nee, door de doop gebeurt er iets met je; niet innerlijk maar uiterlijk.
Innerlijk
gebeurt er iets met mij op het moment dat ik mij bekeer en mij overgeef aan Gods genade.
Dan krijg ik nieuw leven en word ik een kind van God.
Uiterlijk
moet ik afscheid nemen van mijn oude leven. Dat moet begraven worden.
Deze (symbolische) stap zet ik in de doop.
Ik word met Christus begraven en sta met Hem op13.
Zo word ik behouden op een nieuw terrein.
Lees
hier
meer over de doop.
Zoals Noach in de ark door het water afscheid neemt van de oude wereld, zo neem ik door de doop afscheid
van mijn oude leven.
Zoals Noach uit de ark gaat en aan een nieuw leven begint, zo begin ik na de doop aan mijn leven als christen.
Na deze voorbeelden komt Petrus vanaf 4: 1 weer terug op het lijden
in het vlees
en
de wil van God.
Vanaf mijn doop leef ik "de overige tijd in het vlees niet meer naar de begeerten van de mensen, maar
naar de wil van God"14.
"De voorbijgegane tijd is genoeg geweest om de wil van de volken te volbrengen ..."15.
Anders gezegd: de tijd vóór mijn bekering en doop is voltooid verleden tijd.
Mijn leven erná leef ik als christen "in overeenstemming met God, in de Geest"16.
De woorden "de doop behoudt u" betekenen niet dat ik door de doop in de hemel kom.
De doop is een symbolische uiterlijke handeling met het oog op mijn aardse leven.
Dit laat zien dat het woord "behoudenis" op twee manier wordt gebruikt:
Met een goed geweten kijk ik vooruit omdat ik in alles goed wil wandelen20.
Door mij te laten dopen wil ik God recht in de ogen kijken.
Ik laat zien dat ik in alles op Christus wil lijken, met alle gevolgen van lijden en
verdrukking die daarbij kunnen horen.
Lees
hier
meer over dit punt.
Dit lastige vers heeft tot nogal wat verschillende gedachten
geleid, waaronder de suggestie dat Christus tijdens Zijn verblijf in het dodenrijk gepredikt zou
hebben tot gestorven ongelovigen, om hen alsnog het evangelie van verlossing aan te bieden.
Zo'n suggestie wijzen we af als onbijbelse fantasie.
Het evangelie wordt gepredikt aan op aarde levende personen, en nooit aan gestorvenen.
De keus om het evangelie aan te nemen wordt gemaakt vóórdat iemand sterft21.
Christus ging naar het paradijs en Hij beloofde de zojuist bekeerde misdadiger om daar met Hem
te zijn22. Dat is de verblijfplaats voor de ontslapen gelovigen. Naar hén gaat Zijn hart
uit.
De uitdrukking "aan doden een blijde boodschap verkondigd"23wijst op mensen die vóór
hun
bekering in Gods ogen dood zijn, evenals wij dat waren24.