Waren de gelovigen uit het O.T. wedergeboren?
Bijvoorbeeld in Hebreeën 11 worden zij beschreven als voorbeelden ons,
maar over wedergeboorte lezen we pas in het gesprek van de Heer Jezus met Nicodémus.1
Toch verwijt de Heer hem dat hij niets van de wedergeboorte begrijpt.2
Hoe had Nicodémus dit moeten weten?
Nicodémus begroet de Heer als een door God gezonden rabbi. Dat is al heel bijzonder!
Maar de Heer reageert nogal opmerkelijk, omdat Hij zijn hart kent.3
Waarschijnlijk vermoedt Nicodémus dat de Heer wel eens de beloofde Messias zou kunnen zijn en
dat hij dan vanzelfsprekend een belangrijke plaats in Zijn koninkrijk zal ontvangen.
Hij is immers dé leraar van Israël?
De Heer antwoordt dat iemand zonder wedergeboorte het koninkrijk van God zelfs niet kan zien.4
De reden is: “wat uit het vlees geboren is, is vlees; en wat uit de Geest geboren is, is geest”.5
Nicodémus had dit b.v. kunnen weten uit het boek Ezechiël, want daar beschrijft God hoe Hij in de toekomst onder het volk Israël een machtig werk van Zijn Geest zal doen,6 zodat zij hun Messias kunnen ontmoeten en dan wél zullen aanvaarden.
Maar eigenlijk werkt Gods genade sinds de zondeval volgens ditzelfde principe.
Op die dag is de mens inderdaad gestorven,7 weliswaar nog niet direct lichamelijk,
maar wél geestelijk.
Door de zonde is de dood doorgegaan tot alle mensen.8
Petrus schrijft dat 'aan doden een blijde boodschap is verkondigd'
(letterlijk: geëvangeliseerd).9
Wat een genade dat God niet alleen Adam en Eva bekleedde met dierenhuiden,10
maar daarna voortdurend opriep om het leven 'in het vlees' (als dode zondaars) te oordelen en
om 'te leven in overeenstemming met God'.
De inhoud van dit eeuwig evangelie lezen we pas in Openbaring 14.11
Maar hoe is die verandering en zo'n nieuw leven mogelijk?
Petrus voegt eraan toe: 'in de Geest'.
Het wordt geen wedergeboorte genoemd,
maar dit is precies wat de Heer beschrijft met “geboren uit water en Geest”12
en: “wat uit de Geest geboren is, is geest”,13
waarbij water een bekend beeld is van het Woord van God.14
Abel is de eerste van wie we iets lezen over geloof.15
Hij heeft Gods onderwijs met de dierenhuiden goed begrepen, en
beseft dat hij alleen tot God kan naderen op grond van een plaatsvervangend offer.
Dat besef kan alleen een werk van Gods Geest zijn.
Zo kwam Abel tot wedergeboorte en nieuw leven. Dit geldt voor elke gelovige in het O.T.
Het nieuwe leven zélf verschilt gradueel van het eeuwige leven dat iemand ontvangt
door geloof in de Heer Jezus.16
Dit verschil legt de Heer als volgt uit:
“Ik ben gekomen opdat zij het leven hebben, en het overvloedig hebben”.17
Tot op Zijn komst kreeg een gelovige het (nieuwe) leven in de wedergeboorte,
maar vanáf Zijn komst en Zijn offer ontvangt iemand het leven in overvloed.
Dat leven in overvloed wordt elders het eeuwige leven genoemd.
De Heer Jezus omschrijft het als volgt in het gesprek met Zijn Vader: "dit is het eeuwige leven,
dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus die U gezonden hebt".18
God kennen is een relatie hebben met God zoals Hij in diepste Wezen is, namelijk Vader.
Ná Zijn opstanding ontvangt Maria Magdaléna de prachtige boodschap:
“ga naar Mijn broeders, en zeg hun: Ik vaar op naar Mijn Vader en uw Vader en naar Mijn God en uw God”!19
Vanaf dit moment is de familie van God ontstaan, waarin elk kind hetzelfde voorrecht heeft als de Zoon Zélf,
namelijk om vrijmoedig “Abba, Vader” te mogen zeggen.20
Dit voorrecht had geen enkele gelovige uit het O.T.