Ik ben opgegroeid met de gedachte dat de Kerk bestaat vanaf Adam, en zal blijven tot de jongste dag. U vertelt dat de Kerk, de gemeente, gevormd is in Hand. 2 op de Pinksterdag. Als dat waar is, wat is dan het bijzondere van de gemeente ten opzichte van Israël?
Met 'de Kerk' (met een grote K) bedoelen we niet een bepaalde denominatie, maar alle gelovigen wereldwijd, die samen de gemeente van Jezus Christus vormen1.
In
Israël
- gemeente
staat uitvoerig beschreven wat de meest opmerkelijke verschillen zijn tussen Israël en
de gemeente, zowel in het verleden, in het heden, als in de toekomst.
Behalve de daarin genoemde teksten zijn er nog Bijbelverzen als Efeze 2: 14 - 16, 202, waarin
eveneens duidelijk te lezen is dat
de gemeente van God pas ontstaan is ná de dood en opstanding van de Heer Jezus.
Dat gebeurt op de Pinksterdag met de uitstorting van de Heilige Geest,
en daarna wordt ten tijde van het boek Handelingen het fundament gelegd door de dienst
van de apostelen.
De opstanding op de jongste dag was algemeen bekend3, maar met name Paulus onthult dat die opstanding
in verschillende fasen zal verlopen.
De gemeente zal hier blijven tot de opname. Lees
hier
meer.
- 'gemeente'
Een punt van verwarring zou kunnen zijn dat ook Israël 'gemeente' genoemd wordt4.
Het woord wijst echter gewoon op een gezelschap met een bijzondere roeping.
Dat kan zelfs een volksvergadering zijn5.
Er zijn dus minstens drie verschillende gezelschappen in de Bijbel, die 'gemeente'
genoemd worden, maar dat zegt niets over mogelijke andere punten van overeenkomst.
- 'wedergeboorte'
Een ander punt is de gedachte dat iemand die wedergeboren is bij de gemeente hoort.
Dat klopt voor zover het de periode betreft waarin de gemeente op aarde is, dus vanaf
de Pinksterdag (Hand.2) tot de opname.
In het Oude Testament moet elke gelovige ook wedergeboren worden.
Dat hoorde een leraar als Nicodemus te weten6.
Zulke gelovigen waren er in Israël, maar ook daarbuiten (denk aan Job, Melchizedek,
de koningin van Scheba, enz).
Al die mensen vormen echter geen eenheid, tótdat de Heer Jezus komt.
Hij verzamelt hen allen tot één7,
namelijk tot de eenheid van de gemeente.
Ná de opname komen er ook weer velen tot geloof, maar met het verdwijnen van de
gemeente, is haar eenheid er natuurlijk ook niet meer.
In dat opzicht komt de situatie uit het Oude Testament weer terug: wedergeboren mensen
horen óf bij Israël (zie de 144.000) óf bij de grote schare uit de volken.